De mantelzorger en de woningcorporatie

Zorg + Welzijn, Jan 2018

Bohn Stafleu van Loghum

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2Fs41185-018-0020-3.pdf

De mantelzorger en de woningcorporatie

DE MANTELZORGER EN DE WONINGCORPORATIE - ‘Mijn vader heeft jarenlang voor mijn moeder gezorgd. Toen ze drie jaar geleden overleed, ging mijn vader vooral psychisch snel achteruit. Hij had geen taak meer, zijn zorg was gedaan, zijn klus was geklaard. Ik ging voor mijn vader zorgen. Ik heb een eigen bedrijfje en woonde zelf in een huurhuis. Heel snel werd duidelijk dat het voor mijn vader en voor mij veel beter was om bij elkaar in huis te wonen. Na een half jaar ziet mijn vader op tv een programma over medehurende mantelzorgers. De inwonende vrouw in de reportage moest na het overlijden van haar moeder, voor wie ze zorgde, het huis uit van de verhuurder. Mijn vader zegt tegen me: “Dat geldt ook voor jou.” Dus ik ging informeren bij de woningbouwvereniging, en inderdaad: als mijn vader komt te overlijden, moet ik weg, want het huis wordt gehuurd door mijn vader en ik zou geen enkel recht hebben om er verder in te wonen. Een levendige correspondentie ontspon zich tussen mij en de woningbouwvereniging. Ik moest argumenten aanvoeren waarom ik bij mijn vader woonde. Dat deed ik. Ik maakte telkens duidelijk dat ik voor mijn vader zorgde, dat hij hulpbehoevend was, dat hij opleefde omdat ik bij hem woonde. Maar na elke brief kreeg ik een brief terug waarin de woningbouwvereniging vroeg om nieuwe argumenten. Ik heb de gemeente ingeschakeld, want de verhuurder vroeg om een mantelzorgverklaring. “Die bestaat niet”, antwoordde de ambtenaar en adviseerde mij contact op te nemen met Mezzo, de belangenvereniging voor mantelzorgers. Ik dacht ondertussen allang: ach dan ga ik het huis uit als mijn vader komt te overlijden, dat zie ik dan wel weer. De juridisch adviseur van Mezzo heeft uiteindelijk geëist van de woningbouwvereniging dat deze een definitief eisenpakket aan mij voorlegde voor het medehuurderschap in de woning van mijn vader. Toen gaven ze toe dat ze een ontmoedigingsbeleid voeren: ze willen niet dat hun huurhuizen overgaan naar een medebewoner, ook al ben je mantelzorger. Nu hadden we zwartop-wit staan dat de verhuurder mantelzorg tegenwerkte en konden we een formele vuist maken tegen dit beleid, bijvoorbeeld door naar de rechter te gaan. Zo ver is het niet gekomen; de woningbouwvereniging gaf toe en registreerde mij als medehuurder. Het gaat heel goed met mijn inmiddels 82-jarige vader, hij heeft het druk. Hij zorgt voor het eten en voor een deel van het huishouden, mijn vader heeft weer een doel. Ik ben er ’s avonds altijd om alle dingen te doen die nodig zijn in huis. ’s Ochtends moet ik vroeg weg, maar we drinken altijd eerst samen een kop koffie.’ ‘Áls mijn vader komt te overlijden, moet ik weg’


This is a preview of a remote PDF: https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2Fs41185-018-0020-3.pdf

Bohn Stafleu van Loghum. De mantelzorger en de woningcorporatie, Zorg + Welzijn, 2018, 42-42, DOI: 10.1007/s41185-018-0020-3