Ode aan de thuiszorg

Nursing, Apr 2018

Sander de Hosson

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2Fs41193-018-0057-x.pdf

Ode aan de thuiszorg

Ode aan de thuiszorg - moet slikken als zijn De palliatieve thuiszorg neemt het over. tekst Sander de Hosson illustratie Stouthandel p verzoek van de thuiszorgverpleegkundige rijd ik aan het einde van een koude vrijdagmiddag het dorp binnen waar de patiënt woont. Ze is achter in de vijftig en heeft longkanker, met al vele uitzaaiingen toen ik haar voor het eerst de hand schudde in het ziekenhuis. De eerste chemotherapie was een complete voltreffer. Ze putte hieruit hoop op een nog veel langer resultaat, een hoop die ik intens met haar meebeleefde. Het klikte. Zes weken daarna kwam er slecht bericht: nieuwe uitzaaiingen en de tumor was groter dan ooit tevoren. Na de uitslag gaf ze zich betraand gewonnen. Ondanks al mijn ervaring raakte het me toen ze zei: ‘Ik wil niet meer, niet nog een keer.’ Angst Ze praat over haar angst thuis dood te gaan en het ‘Haar gebroken stem probeert hartverscheurend mooie woorden te maken’ dubbele gevoel: de angst dat er niemand is om voor haar te zorgen als ze ernstig benauwd is, tegelijkertijd wil ze niet dat haar man en kinderen het allemaal moeten zien. Mijn suggestie van palliatieve terminale thuiszorg brengt geen rust. Ze ziet terminaal verpleegkundigen als ‘insluipers’. Alles uit handen geven is voor haar geen optie. Als ik vertel over de mogelijkheden van palliatieve thuiszorg op medisch en, nog belangrijker, op menselijk vlak, lijk ik haar te overtuigen. Bij de deur keert ze zich nog eenmaal om en fluistert: ‘Dat was het dan.’ Ik slik. Mijn rol is definitief uitgespeeld. Als de verpleegkundige me belt, ga ik gretig in op de uitnodiging; de patiënt wil me laten zien ‘hoe fantastisch het gaat’. Wat fijn om te horen dat de thuiszorg haar zo bevalt. Als ik binnenkom zie ik hoe verschrikkelijk ze eraan toe is, ik herken haar bijna niet meer. Als ze ondanks haar zwakte – met ingevallen ogen kijkt ze me kort en bijna wezenloos aan – mijn aanwezigheid bemerkt, zie ik met verbazing haar blijdschap als de weerszijden van haar lippen krullen. Afscheid ‘Zij.’ Ze gebaart met haar hand richting de verpleegkundige. Haar man knikt heftig. Van de angst die ik zo vaak bij hem zag, is niets meer te bespeuren. In het halfuur dat ik bij haar ben, word ik geraakt door de uitbundige lof van de familie. Haar dochter roept: ‘Niets is haar te gek.’ Haar man vult aan: ‘Er is tijd voor mij, een praatje, steun.’ Nu nemen we echt afscheid. Als ik mijn handen om haar pols vouw, kijkt ze me aan en probeert haar gebroken stem hartverscheurend mooie woorden te maken om haar dank uit te spreken aan de verpleegkundige. Ik probeer het te ontrafelen. ‘Fantastische zorg, fantastisch’, herhaal ik en ze knikt krachteloos. Zonder twijfel de krachtigste ode die ik ooit aan de verpleging gebracht zag worden.


This is a preview of a remote PDF: https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2Fs41193-018-0057-x.pdf

Sander de Hosson. Ode aan de thuiszorg, Nursing, 2018, 33-33, DOI: 10.1007/s41193-018-0057-x