A.M.A.J. Driessen, Watersnood tussen Maas en Waal. Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810

BMGN - Low Countries Historical Review, Jan 1998

C.O.A. Schimmelpenninck van der Oije

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4764/galley/4818/download/

A.M.A.J. Driessen, Watersnood tussen Maas en Waal. Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810

Marko M. Cortel zeer uitgebreid biografisch en genealogisch overzicht van verveners-immigranten in Haskerland en Schoterland in de tweede helft van de achttiende eeuw. In totaal bevat de lijst 765 personen. De gegevens bestaan uit familienaam, voornaam, patroniem, geboorteplaats en -datum, namen van ouders, huwelijksjaar en -plaats, namen van echtgenoten, aantal kinderen, plaats van herkomst en plaats van aankomst, bezit van vee, beroepsaanduidingen, nevenfuncties (kerk, bestuur), plaats en datum van overlijden en andere gegevens over familieverhoudingen. Een ambtenaar van de burgerlijke stand zou zijn vingers aflikken bij deze inventarisatie. De enorme hoeveelheid namen komt echter ook in de tekst terug, wat de leesbaarheid niet bevordert. De zinnen worden extreem lang en laten zich door de opsommingen niet 'doorlezen'. Dit is eigenlijk het enige minpunt in dit boek. Wie echter de levensloop van bijvoorbeeld één familie wil volgen, komt volledig aan zijn trekken. Regionale migratie is in Nederland geen onbekend verschijnsel en Kroes slaagt erin de migratie van de Gietersen naar Friesland op heldere en logische wijze in kaart te brengen. Meerwaarde is dat hij niet blijft steken bij de migratie alleen, maar ook een beeld schetst van de levensloop van de nakomelingen van deze migranten. De Gietersen in Friesland is een uitstekend naslagwerk, niet alleen voor historici, maar ook voor inwoners van het Friese lage midden. - 'Door historici is maar weinig onderzoek gedaan naar zowel zee- als rivieroverstromingen. De Nederlandse geschiedschrijving is daarop geen uitzondering. Gezien de vele watersnoden in het verleden en het wijdverbreide beeld van Nederland als een land dat altijd verwikkeld is ge­ weest in de strijd tegen het water, is dat opmerkelijk', aldus Anneke Driessen in haar historischgeografisch proefschrift (18). Wie enigermate thuis is in het onderwerp, moet dit beamen. Weliswaar beschikken wij over boeiende studies van de journalist-historicus H. van Heiningen voor het Land van Maas en Waal, en de archivaris J. W. van Petersen voor de Lymers en Doesburg, maar een systematische bestudering afgebakend in plaats en tijd ontbrak nog steeds. Dat hoge waterstanden nog steeds rampzalige gevolgen kunnen of zouden kunnen hebben, bewijzen de gebeurtenissen van 1926 en 1953 en recenter die van 1993 en 1995 (gedeeltelijk na de verschijning van dit boek), vooral in Limburg en Gelderland. In die zin is de studie ook nog actueel. De auteur stelt dat de (rivier)overstromingen in het Nederlandse rivierengebied in de periode 1750 tot 1820 een grotere omvang hadden dan voor en na die periode. De dijkdoorbraken van 1855 en 1861 behoren tot de laatste grote rivieroverstromingen. Hiervoor lijken geen klimatologische veranderingen duidelijk als oorzaak aanwijsbaar. Driessen koos haar gebied, het westelijk deel van het Rijk van Nijmegen, het Land van Maas en Waal en de Bommelerwaard, om twee redenen. Het stroomgebied van de Maas en dat van de Waal als tak van de Rijn stelde haar in staat de hydrologie van twee verschillende rivieren te bestuderen. Voorts is het gebied vrij uitgestrekt en helt af van oost naar west, zodat de invloed van rivieroverstromingen op hoger en lager gelegen gebieden kon worden bestudeerd. Het moge duidelijk zijn dat de drie gekozen regio's onderling in allerlei opzichten verschillen. Ook de afbakening in tijd wordt gemotiveerd, al is de keuze 1780-1810 binnen de voor de hand liggende periode 1750-1820 ogenschijnlijk toevallig. Enkele van de grootste rivieroverstromingen vielen binnen de gekozen periode. Veranderingen in het staatsbestel hadden gevol­ gen voor de waterstaatsorganisatie met de overgang van Ancien Régime naar de Bataafs-Franse tijd. Als derde reden voert de auteur aan, dat in de gekozen periode de centrale overheid voor het eerst maatregelen heeft genomen en richtlijnen heeft uitgevaardigd om de gevolgen van de ramp te beperken. Doel van de studie was op basis van zowel historische als geografische onderzoeksmethoden de invloed van rivieroverstromingen op het Nederlandse rivierengebied nader te bestuderen. Het was echter niet eenvoudig om de methodiek te bepalen. De bestaande literatuur over (rivier)overstromingen was ontoereikend voor een methodologische opzet. Gebruikmaken van studies over andere rampen zou te weinig aanknopingspunten bieden. Recente Nederlandse onderzoeken naar natuurrampen zijn meestal verricht vanuit de sociaal-maatschappelijke invalshoek met de bedoeling het overheidsbeleid te beïnvloeden, zodat ook dit voorbeeld slechts beperkt bruikbaar was. Zo kwam de auteur terecht bij het geografisch onderzoek naar overstromingen aan de hand van methoden uit de natural hazards research. Driessen bespreekt de denkbeelden van grondlegger White en zijn criticus Hewitt. Een beschrijving van een rivier­ overstroming dient volgens de natural hazards research vier elementen te bevatten: een onder­ zoek naar het natuurlijke systeem dat gevaren veroorzaakt, een studie van de overheids­ maatregelen, een onderzoek naar de sociale en economische gevolgen van rivieroverstromingen en een onderzoek naar de reacties van de bewoners. Driessen kon de onderzoeksvragen van deze methode grotendeels beantwoorden aan de hand van archivalia, waaronder kaarten, ge­ schriften van tijdgenoten, statistische gegevens en verslagen, en literatuur. Alleen voor het onderzoek naar de reacties van de bewoners was geen bronnenmateriaal te vinden, zodat dit deel van het onderzoek moest vervallen. De auteur heeft gekozen voor een opzet in twee gedeelten. Het eerste deel geeft een meer algemene behandeling van de rivieroverstromingen in de periode 1750-1820 en hun oorzaken, de geografie van het gekozen gebied rond 1800, het bestuur en waterstaatszorg en de dijkzorg. Het tweede gedeelte gaat volgens het vaste schema van de natural hazards research in op de watersnoden van 1781, 1784, 1799, 1805 en 1809. Die van 1784, 1799 en 1809 zouden thans stellig tot nationale rampen zijn verklaard. Dat vaste schema geeft de mogelijkheid tot vergelijken. In haar slot geeft de auteur haar conclusies, die zij ook doortrekt naar de huidige tijd met de discussie rond de dijkverzwaringen. In het vele dat de uitvoerige studie biedt, wil ik op enkele punten wijzen. De lezer dient zich steeds weer te bedenken, dat ook binnen de gekozen periode dijkdoorbraken buiten de drie behandelde gebieden verschillende keren voorkwamen. Binnen Gelderland waren dat de Overbetuwe en de Tielerwaard, maar ook gebieden in Zuid-Holland en Noord-Brabant zijn getrof­ fen. De ramp van 1809 trof het gehele rivierengebied van Nijmegen tot de Alblasserwaard. Binnen het gebied zelf werd de Waalzijde ernstiger getroffen dan de Maaszijde. De verklaring daarvoor ligt voor de hand: de afvoer van water via de Waal was veel groter dan die via de Maas. Voor ons opvallend is de schade toegebracht door ijsgang. Dat hoefde nog niet te wijzen op strengere winters, maar op het moment waarop het bevroren water van de uiterwaarden los kwam, hetgeen tot enorme opstapelingen leidde. De trage afvoer via de benedenrivieren wordt algemeen als belangrijke oorzaak van de overstromingen gezien. In de Bommelerwaard werden dijkdoorbraken ook veroorzaakt door van hoger gelegen gebieden ingelopen water. Mij spreekt de studie in zijn opzet en uitwerking zeer aan. De combinatie van geografische en historische elementen in een strak schema geeft een overzicht van veel verwerkt materiaal. Kleine en grote zaken worden aangeroerd. Er is voldoende aandacht voor waterstaatkundige zaken, zoals de riviercorrespondentie als waarschuwingssysteem en het dijkherstel, maar ook sociaal-economische aspecten komen goed tot hun recht. Uit het materiaal dat de auteur levert, wordt duidelijk dat de gevolgen voor de mensen in de getroffen gebieden door de opvolgende rampen zeer ernstig waren. De grootste klappen vielen waarschijnlijk bij de groep die net boven de armsten leefde. Voor deze groep was de geboden hulp steeds te weinig. Dat was in 1861 nog niet veranderd. Toch werden steeds meer initiatieven ontplooid om de ergste nood te lenigen: met de wording van de eenheidsstaat kwam ook een nationaal besef op, waardoor landelijke inzamelingen konden worden georganiseerd. Aardig is bovendien dat de studie aanknopingspunten met het heden biedt. De verschuiving van het dijkbestuur van grote en kleine dijkstoelen naar de centrale overheid en de noodhulp vanuit het Rijk (niet de structurele hulp!) zijn elementen die nog steeds spelen. Zette het be­ zoek van koning Lodewijk Napoleon in 1809 de toon voor de bezoeken van koningen en koninginnen in de vorige en deze eeuw? Zo bevat het boeiende werk, ogenschijnlijk als een regionale studie gepresenteerd, verschillende aspecten van weidser strekking. Bovendien is een goed kader aangegeven voor de bestudering van andere watersnoden en natuurrampen in ons land. C. O. A. Schimmelpenninck van der Oije P. W. van Wissing, ed., De eerste volksvertegenwoordigers van Gelderland in 1795 (Thesaurus VIII; Amsterdam: Schiphouwer en Brinkman, 1996, viii + 311 blz., ƒ59,50, ISBN 90 72872 14 2). In 1993 verscheen het boek Homines novi. De eerste volksvertegenwoordigers van 1795. In dit werk, dat handelde over geheel Nederland, was Gelderland vertegenwoordigd met de 111 re­ presentanten van het Veluwse kwartier. Vrij snel na het verschijnen werd onder auspiciën van het Rijksarchief in Gelderland het initiatief ontplooid om ook de andere kwartieren - Nijmegen en Zutphen - in beeld te brengen. Dit heeft geleid tot het nu te bespreken boek waarin alle 366 Gelderse representanten uit 1795 hun politieke opwachting maken. Met dien verstande dat 25 representanten niet verder komen dan de vermelding van hun naam. Ondanks alle inspannin­ gen konden van hen nauwelijks of geen biografische gegevens worden gevonden. De voor de landelijke uitgave gekozen prosopografische structuur is ook voor dit Gelderse deel aangehouden. Er is evenwel niet gekozen voor een volledige alfabetische volgorde, maar de representanten zijn per kwartier en daarbinnen per plaats van afvaardiging bij elkaar gezet, om onmiddellijk te kunnen zien hoe groot de afvaardiging was en wie er werd afgevaardigd. De Veluwse gegevens uit 1993 zijn waar nodig gecorrigeerd. Per afgevaardigde staat vervolgens de naam (met varianten), de plaats en datum van ge­ boorte, doop en overlijden, de begraafplaats, godsdienstige gezindheid en opleiding vermeld. Hierna volgen de beroepen en functies en het optreden als representant en de functies en com­ missies die vanuit de afvaardiging werden vervuld. Deze zijn niet alleen tot 1795 maar ook daarna vermeld. Uit deze gegevens kan een (voorlopige) carrière worden gereconstrueerd. Tenslotte volgen bijzonderheden over huwelijk, echtgenotes, kinderen, ouders, vriendschapsen familierelaties en verantwoording van gebruikte literatuur en archivalia. Aan het geheel gaat een 70 pagina's tellende inleiding vooraf waarin op heldere wijze een overzicht wordt gegeven van de Bataafse omwenteling in Gelderland. Aan de orde komen de toestand voor 1795 (met name de gebeurtenissen uit de jaren 1780-1787 krijgen de aandacht), de omwenteling zelf, de Verklaring van de rechten van de mens en burger, de landdag in 1795, de afvaardiging van Gelderse gedeputeerden naar Den Haag en de toestand tot 1813. De inlei­ ding sluit af met een groepsportret van de 366 representanten waarin worden bijeengezet de


This is a preview of a remote PDF: http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4764/galley/4818/download/

C.O.A. Schimmelpenninck van der Oije. A.M.A.J. Driessen, Watersnood tussen Maas en Waal. Overstromingsrampen in het rivierengebied tussen 1780 en 1810, BMGN - Low Countries Historical Review, 1998, 403-405, DOI: 10.18352/bmgn-lchr.4764