G. Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940

BMGN - Low Countries Historical Review, Jan 1995

J.M.H.J. Hemels

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4046/galley/4100/download/

G. Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940

- Verborgen in een noot op pagina 339-340 citeert de auteur van deze aan de Vrije Universiteit verdedigde dissertatie over het tijdschrift De Reformatie een uitspraak met betrekking tot het schrijverschap van prof. dr. K. Schilder ( 1890-1952). In een artikel over Schilders jonge jaren, verschenen in De Standaard van 21 juni 1939, Iaat ds. J. de Waard de Kamper hoogleraar van de Vrijmaking ( 1944) uit de doeken doen, dat hij veel in de trein schreef. Hij spreidde dan een dikke krant op de knieën uit en legde het schrijfpapier in het midden. De krant ving de schokken op. Deze herkenbare beschrijving van een alledaagse situatie voorziet dominee De Waard van de bitse kanttekening: 'Vandaar dat hij ook nooit iets schokkends schrijft'. Als niet ingewijde in het gereformeerde leven schrikt men vaker van de omgangsvormen zoals die tussen de regels door lezend en soms heel direct uit de tekst van Harincks boek blijken. Totdat men (weer) beseft, dat ook figuren in het kerkelijk leven niets menselijks vreemd is. Harinck lijkt zijn hoofdrolspelers, lees: uitsluitend mannen(broeders), bij voorkeur te nemen zoals ze zijn. Hij toont zich uitermate terughoudend in het geven van typeringen van de bekende en minder bekende gereformeerden die in zijn stilistisch en typografisch goed verzorgde proefschrift figureren. Dat is jammer èn bepaald ook lastig, zeker voor een betrekkelijke buitenstaander die niet zo vertrouwd is met Schilder en zijn vele tegenspelers en weinige medespelers. De 'inleiding in de gereformeerde wereld' die de auteur volgens het woord vooraf zijn hervormde echtgenote heeft doen geworden, mist deze katholieke recensent node. Uit hetzelfde inleidende tekstgedeelte blijkt, dat Harinck dankbaar is voor de opvoeding in de gereformeerde traditie die voor hem 'niet alleen is een onderwerp van studie, maar ook een bron van bemoediging'. Met respect neemt men van deze bekentenis kennis. Met verwondering ook dat de promovendus zich niet heeft laten ontmoedigen door kleinmenselijk gedrag van persoonlijkheden die niet over hun eigen schaduw heen konden springen en met het puntje van een felle pen broedertwisten uitvochten. Hoeveel distantie wenst men een historicus toe tot het object van onderzoek uit zijn eigen geestelijke wereld? Maar ook zonder duidelijke uitspraken over de verdiensten, onhebbelijkheden, deugden en ondeugden van de gereformeerde voormannen die korter of langer de inhoud van De Reformatie bepaalden komt men al lezend tot de bevinding, dat Harinck wel degelijk overtuigd is van Schilders betekenis voor het gereformeerde leven tussen de beide wereldoorlogen. Dat geldt evenzeer voor de prestatie van het tijdschrift dat in zijn studie centraal staat. Het blad heeft volgens Harinck in de twintig onderzochte jaren voldaan aan het in de ondertitel geformuleerde programma. Door de vraag te stellen, of De Reformatie in het interbellum en het begin van de bezetting heeft bijgedragen tot 'de ontwikkeling van het gereformeerde leven' is het antwoord eigenlijk al gegeven. Als het kernbegrip 'ontwikkeling' staat voor dynamiek, dan heeft het tijdschrift inderdaad bijgedragen tot een dynamisch(er) leven in de gereformeerde brouwerij. Let men wat scherper op de middelen die dit doel moesten heiligen, dan bedekt Harinck onbewust toch het een en ander met de mantel der liefde. Hij doet althans geen uitspraken over de wijze waarop men elkaar onderuit haalde in een vorm van strijdjournalistiek die voorde lezer van nu bij tijd en wijle onthutsend is. De polemieken zijn immers niet op de boze, van godsdienstig onbegrip doordrenkte buitenwereld gericht, maar spelen zich af in eigen gerefor­ meerde kring. Daarbinnen kende de leidinggevende intellectuele bovenlaag iedereen van haver tot gort en werden redacteurschappen, spreekbeurten en hoogleraarschappen toebedeeld. Wie wat had geschreven en gezegd was snel wijd en zijd bekend en werd in brieven en gesprekken van commentaar voorzien. Voor Harinck is 'het slagveld van de kerkelijke journalistiek' een historisch gegeven en hij weet over dat strijdtoneel boeiend en zeer precies te rapporteren. Allerlei bronnen combinerend schetst hij geschakeerde en rake beelden van situaties en verwikkelingen. Het boek is weliswaar omvangrijk, maar dooreen goede structuur toch goed toegankelijk. Zijn betoogtrant is helder. In de noten ligt een schat aan informatie opgeslagen, waarmee andere onderzoekers hun voordeel kunnen doen. Meer. dan een halve eeuw en twee generaties later verlangt men echter naar een kritisch(er) oordeel over de strategie en tactiek die de penne voerders van De Reformatie normaal vonden, maar die nu een licht gevoel van plaatsvervangende schaamte oproepen. In het slot stelt Harinck slechts vast, dat de door hem 'in deze situatie welhaast onvermijdelijk' geachte perspolemiek 'een gespannen sfeer onder de meelevende kerkleden' veroorzaakte, zodat ze 'soms een oneigenlijk grote rol ging spelen in het gereformeerde leven' (427). Dat kerkelijke vergaderingen erdoor beheerst werden hoeft geen verbazing van de historicus te wekken. Dat het geschrijf mensen heeft gekwetst en gebroken had in de analyse en synthese betrokken mogen worden. Ofwel: heiligde het doel in de door Harinck zo goed onder woorden gebrachte omstandigheden het middel wel? Met deze vraag blijft de lezer zitten. Hoewel het boek De Reformatie als onderwerp heeft, is Schilder toch eigenlijk de in een netwerk opgenomen hoofdpersoon. Hij kreeg na allerlei uitvoerig en grondig beschreven botsingen en tegenstellingen in het persoonlijke vlak sinds het midden van de jaren dertig De Reformatie als zijn persoonlijke spreekbuis in handen. Voor zijn principiële afwijzing van het nationaal-socialisme, ook na de tiende mei 1940, moest hij zonder vorm van proces een aantal maanden in de gevangenis boeten. Het betekende ook het voorlopige einde van het blad. Schilder is de man van de kerkscheuring van 1944, maar dit laat Harinck buiten beschouwing. Hij schrijft weliswaar geen biografie van Schilder en eindigt zijn onderzoek met het door de bezetters opgelegde verschijningsverbod van De Reformatie, maar voor een beter begrip van de tragiek van de gedreven publicist Schilder is wat zich in 1944 afspeelde van wezenlijk belang. De Kamper hoogleraar werd door de synode van de gereformeerde kerken geschorst en later afgezet, omdat hij weigerde de binding aan een bepaalde doopleer (namelijk de leer van de veronderstelde wedergeboorte bij de doop van een kind) te erkennen. Hij beriep zich op art. 31 van de Dordtse kerkorde, waarin het recht staat omschreven om bepaalde besluiten der generale synode niet voor 'vast en bondig' te houden. De synode liet Schilder echter in ongenade vallen. Het slachtoffer dat tijdens zijn gevangenschap al weinig of geen compassie van zijn-kerkelijke leiders had mogen ervaren, riep op tot vrijmaking van de voor hem onaanvaardbare synodale besluiten. Dit leidde tot de constituering van de gereformeerde kerken in Nederland (vrijge­ maakt), aanvankelijk genoemd: gereformeerde kerken onderhoudende art. 31. K. Schilder zette zijn werk als hoogleraar voort aan de nieuw opgerichte 'eigen' Theologische Hogeschool in Kampen. De Reformatie liet hij na de bevrijding weer verschijnen en hij bleef het blad tot zijn overlijden redigeren. Harinck maakt haarfijn duidelijk, hoe Schilder zich gaandeweg vervreemdde van het kerke­ lijke en vooral kerkpolitieke establishment van de gereformeerde kerken. Beziet men de geringe steun die het gedachtengoed van De Reformatie tussen 1920 en 1940 ten deel viel en denkt men ook aan wat Schilder in 1944 werd aangedaan, dan kan men een volstrekt andere conclusie dan die van Harinck trekken. De scribenten van De Reformatie zijn er immers niet in geslaagd, het gereformeerde leven op te stoten in een duurzame, op kerk en samenleving gerichte vernieu­ wingsbeweging. De opzet van 1920 is, ongeacht de minimale bijstellingen van de redactiefor­ mule en de wisselingen van bij de redactie betrokkenen, mislukt. Het gereformeerde kerkvolk liet zich niet op een nieuw spoor zetten en had niet echt een boodschap aan de bewogen oproep vanuit Kampen. Er werd zelfs publicistisch actie ondernomen om hem de wind uit de zeilen te nemen, zo maakt Harinck duidelijk, maar hij geeft er een andere interpretatie aan. Zijn keuze vloeit mijns inziens voort uit een overmaat aan begrip voor de goede bedoelingen van de dramatis personae. Het onverzoenlijke wordt in een harmoniemodel geperst. Toch heeft Harinck met zijn dissertatie-onderzoek om meer dan één reden een te waarderen wetenschappelijke prestatie van formaat geleverd. Van De Reformatie is geen archief bewaard gebleven. De onderzoeker heeft zich daardoor niet uit het veld laten slaan, maar met een buitengewone aanleg voor heuristiek zijn bronnen bijeengezocht. Als wetenschappelijk mede­ werker van het Historisch documentatiecentrum voor het Nederlands protestantisme (1800heden) zat hij dicht bij het vuur. Hij heeft zich er zo aan gewarmd, dat de lezer van zijn proefschrift niets wordt onthouden. Behalve de al gesignaleerde verwondering over de kilte in de sfeer van menselijke verhoudingen tussen de gereformeerde kopstukken. Daarbij doet de relatie tussen Schilderen de drukker in Goes weer warm aan. Laatstgenoemde schrijft mevrouw Schilder een hartelijke brief, als haar man in Arnhem zit opgesloten en tobt over zijn lot. Interessant in verband met het verbale geweld in gedrukte vorm is wat Harinck in zijn inleidende hoofdstuk schrijft. 'Een kerkelijk leven met als enige lectuur de bijbel en toelichtin­ gen daarop, hebben de gereformeerde kerken niet gekend. Er was altijd behoefte aan meer aan strijd, aan confrontaties op papier. Het aantal kerkbodes en kerkelijke weekbladen was binnen kerkelijk-gereformeerde kring groot en was onderdeel van de kerkelijke cultuur' (14). Die kranten, krantjes en tijdschriften blijken een onmisbare (aanvullende) bron voor historisch onderzoek te vormen. Harinck maakt er trefzeker gebruik van. Met zijn ambachtelijke aanpak maakt hij bovendien en passant duidelijk, dat het in Nederland zo verwaarloosde historisch tijdschriftonderzoek met de leggers als vertrekpunt loont. Het in 1986 aan de Universiteit van Amsterdam met lof verdedigde proefschrift van J. Wieten, Dagblad en doorbraak. De Nederlander en De Nieuwe Nederlander, wordt in deze studie over De Reformatie niet genoemd. Wel besteedt Wieten veel aandacht aan wat er aan vernieuwing­ stendensen gistte in de protestantse wereld van het interbellum. Ook komt het Barthianisme uitvoerig aan de orde. Harinck gebruikt dit vroegere proefschrift niet, zodat de kans om er op voort te bouwen en/of kritiek op te uiten onbenut is gebleven. In het slotgedeelte voert Harinck zonder veel voorwerk en voorbereiding de figuur van Anton van Duinkerken alseen begripvol kenner van de zieleroerselen van Schilder op. De poging beide heren onder één noemer te brengen doet uitermate gekunsteld aan en overtuigt niet, omdat in de pagina's die aan het slot voorafgaan, geen materiaal vooreen vergelijking is aangedragen. Een interview van G. Puchinger met de katholieke schrijver heeft Harinck op het verkeerde been gezet. Als geïnteresseerde in de geschiedenis van het katholieke intellectuele leven verbaast men zich over de bekrompen opstellen van prof. dr. F. J. J. Buitendijk die in de eerste vier jaar van haar bestaan redacteur van De Reformatie was. Het is jammer dat de auteur in zo'n geval nalaat in een noot te wijzen op de weerklank die deze 'zielkundige' in katholiek Nederland vond. De wereld van De Reformatie is mede door het afhaken van Buitendijk een kleine wereld gebleven. Maar dat weten we dankzij de ijver en toewijding van George Harinck die al met al een veelzijdig proefschrift heeft verdedigd. J. M. H. J. Hemels B. van der Ros, ed., Geschiedenis van de christelijke dagbladpers in Nederland (Kampen: Kok, 1993, 372 blz., ISBN 90 242 6865 6). Soms verschijnt een boek dat onmiddellijk na verschijnen in de pers wordt afgekraakt, voordat het zijn nut in het gebruik heeft kunnen bewijzen. Niet zelden gaat het in zo'n geval om een


This is a preview of a remote PDF: http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4046/galley/4100/download/

J.M.H.J. Hemels. G. Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven 1920-1940, BMGN - Low Countries Historical Review, 1995, 308-310, DOI: 10.18352/bmgn-lchr.4046