L. de Gou, De Staatsregeling van 1801. Bronnen voor de totstandkoming

BMGN - Low Countries Historical Review, Jan 1997

A.H. Huussen jr.

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4482/galley/4536/download/

L. de Gou, De Staatsregeling van 1801. Bronnen voor de totstandkoming

ISBN Mari?lla Beukers de joden, was de provincie van belang voor de geschiedenis van de joden in Nederland. Naar mijn idee echter komt deze 'bijzonderheid' niet voldoende uit de verf. Er worden geen vergelijkingen getroffen met andere delen van ons land (soms wel met Amsterdam), er wordt geen poging ondernomen te onderzoeken waarom nu juist in Overijssel dergelijke ontwikkelingen plaats vonden. Dit is naar mijn idee slechts ten dele te verklaren door gebrek aan studies over deze onderwerpen (alleen voor Overijssel is de rol van de vrijmetselarij voor de emancipatie van de joden onderzocht, door Erdtsieck in 1994). Doordat Erdtsieck enerzijds de geschiedenis van de joden van Overijssel na 1796 wil beschrijven en anderzijds de emancipatie van de joden in Overijssel, wordt het zicht op dat emancipatieproces regelmatig vertroebeld. Het was beter geweest als er duidelijk een keuze was gemaakt: de geschiedenis van de joden in Overijssel na 1796 of het emancipatieproces van de joden van Overijssel. Bovendien krijgt de lezer, mede door de opbouw van de hoofdstukken in vele korte alinea's, gescheiden door een witregel, geen breed, omvattend beeld van de Overijsselse joodse gemeenschap. Wat Erdtsieck vertelt, blijven losse anekdotes, die bijna nergens tot een logisch en vloeiend geheel worden verbonden. Zelfs de rol van de opperrabbijnen, toch een hoofdthema uit het boek, komt matig uit de verf, maar misschien is daar de beschikbaarheid van het archiefmateriaal mede oorzaak van. Zo had ik graag willen lezen wat de gewone Overijsselse jood nu in zijn dagelijkse bezigheden merkte van de emancipatie en van de rol die Hertzveld, Fr?nkel of Hirsch hierbij speelden. - Opnieuw is een deel verschenen in de serie bronnenuitgaven die betrekking hebben op de constitutionele geschiedenis van Nederland. Na de zes delen die voorgeschiedenis en ontstaan van de staatsregeling in 1798 betroffen, maakt dit nieuwe, weliswaar dikke, deel een beschei? den indruk. De schijn bedriegt echter. Tot voor kort waren er nog maar zo weinig stukken bekend die op het ontstaan van de grondwet van 1801 licht konden werpen, dat men veronder? stelde met ??n band te kunnen volstaan om de bronnen van die grondwet, gecombineerd met de stukken over 1805 en 1806, uit te geven. Dankzij de speurzin en vasthoudendheid van editor De Gou zijn er echter zo veel belangwekkende brieven, nota's, concepten en verslagen te voorschijn gekomen dat ' 1801 ' in een nieuw daglicht is komen te staan ? 'nieuw' in vergelij? king met hetgeen Colenbrander er reeds in zijn Gedenkstukken over publiceerde. De pijlers waarop deze editie berust, zijn: de discussies in het Vertegenwoordigend Lichaam (gepubliceerd in het destijds gedrukte Dagverhaal), de notulen van het Uitvoerend Bewind (UB) en de ontwerpen waarover in de loop van 1801 werd gedelibereerd; een groot aantal memoranda en schets- of deelontwerpen vooreen nieuwe staatsregeling; een lange reeks par? ticuliere en ambtelijke brieven die geheel of gedeeltelijk met het constitutionele beleid samen? hingen; en tenslotte nog enkele toegiften waarondereen Franse vertaling van de staatsregeling van 1801. Het is verleidelijk met deze stof aan de gang te gaan. Laat ik mij voorlopig beperken tot hetgeen De Gou zelf er in zijn korte, maar zeer informatieve inleiding over opmerkt. De staats? regeling van 1798 ? waarvan het tweede eeuwfeest in 1998 ongetwijfeld luisterrijk zal wor? den gevierd ? was aan sterke kritiek onderhevig. Velen vonden haar te radicaal. Al in 1799 werden pogingen ondernomen om, dit keer in overleg met Pruisen, een meer aanvaardbare staatsvorm te cre?ren: men meende zelfs (in het geheim natuurlijk) de functie van hoofd der uitvoerende macht erfelijk aan de Erfprins te kunnen toekennen, in ruil voor een garantie van de Nederlandse neutraliteit. De Orangisten waren met elkaar druk in correspondentie. Zij pro? duceerden in eigen kring allerlei blauwdrukken voor het toekomstige staatsbestel (D'Yvoy, Lampsins, prof. Tollius, Van de Spiegel, prof. Kluit, Van Hogendorp), maar hun invloed reikte niet ver. Zij hadden geen politieke invloed en hun ontwerpen zijn daarom in deze uitgave verder buiten beschouwing gebleven. Het waren aantoonbaar de ontwikkelingen in Frankrijk sinds de 18e brumaire ? en met name de visie van de Eerste Consul en de zijnen op de plaats van de Bataafse Republiek in hun binnen- en buitenlands beleid ? die de richting van de constitutionele gang van zaken beslissend bepaalden. Ook al schreef de constitutie van 1798 voor, dat wijziging ervan pas na zes jaar aan de orde mocht komen, onder Franse druk kwam het UB begin maart 1801 bij het Vertegenwoordigend Lichaam (VL) met een ingrijpend voorstel tot verandering van de grondwet. Uiteindelijk wees het VL de voorstellen in juni met een kleine meerderheid af. Bonaparte zelf had zijn idee?n ook al ten beste gegeven. Sindsdien was het Willem Irhoven van Dam die een ? meer federalistisch getint ? ontwerp vervaardigde waarmee het UB opnieuw aan de slag ging. Maar ook het UB zelf kon pas stappen nemen, nadat intern een kleine, tragi-komische paleis? revolutie had plaatsgevonden. Het UB liet vervolgens het dwarsliggende VL ter zijde en orga? niseerde een volksstemming. Van de 416.419 stemgerechtigden kwamen er 68.990 op, van wie 16.771 v??r en 52.219 tegen het ontwerp van een nieuwe staatsregeling stemden. Het UB maakte bij proclamatie blijmoedig bekend dat er op 416.419 slechts 52.219 tegenstemmers waren en dat de grondwet dus met overweldigende meerderheid was aangenomen. Thorbecke mocht later wel zeggen: 'De Staatsregeling van 1798 viel dooreen dergelijken maatregel, als waardoor zij was ingevoerd'. Bonaparte hield een maand later met het van hem bekende cy? nisme zijn Senaat voor, dat men maar moest instemmen met de nieuwe Bataafse constitutie 'omdat zij overeenkomstig de wil van een onafhankelijk volk tot standgekomen was'. Opmerkelijke verschijningen in deze bronnenuitgave zijn onder andere de figuren van Gogel die vele ontwerpen voordelen van een nieuwe constitutie vervaardigde, en Schimmelpenninck van wie ? toen nog ? het gerucht ging dat men hem, de ambassadeur van de Republiek in Parijs, niet als regeringshoofd wenste. (Bonaparte wilde trouwens ?berhaupt niet teveel 'na?perij' van de Franse staatsinrichting.) En zo is er veel meer, dat thans aan de (rechts)historici ter verwerking is aangeboden. De zorgvuldig bewerkte zakenindex maakt het de gebruiker die er wat moeite voor doet de systematiek te doorgronden, mogelijk zijn eigen weg te vinden. Hier en daar is nog een kleine oneffenheid, na vernummering, blijven bestaan (p. xi noot 5 moet, dunkt mij, verwijzen naar Afd. Ill no. 33a en 33b). Met verbazing constateert de lezer op bladzijde 608 dat een door Colenbrander destijds op het ARA geraadpleegde collectie 'onder? schepte d?p?ches' inmiddels verdwenen is. Men zal ze toch niet wegens ruimtegebrek aan de rechtmatige eigenaars hebben teruggegeven? Enfin, dit is een probleempje dat in het niet valt bij de huidige massale archiefvernietiging. A. H. Huussen jr. M. d'Hoker, J. Tolleneer, ed., Het vergeten lichaam. Geschiedenis van de lichamelijke opvoe? ding in Belgi? en Nederland (Leuven, Apeldoorn: Garant, 1995, 132 blz., ?39,50, ISBN 90 5350 160 6). Zoals de titel van het boekje doet vermoeden, heeft de lichamelijke opvoeding in de geschiede? nis van het onderwijs lange tijd in de schaduw van de kennisoverdracht gestaan. Toch is de vrees voor achteruitgang van de fysieke conditie van de jeugd niet nieuw. Willy Laporte, hoog? leraar van de vakgroep bewegingsleer en sportpedagogiek aan het Hoger instituut voor licha? melijke opvoeding in Gent, wijst er in zijn bijdrage over 'De lichamelijke opvoeding in het onderwijs in Belgi? van 1842 tot 1990: een vak apart' (37-57) op, dat klachten van ouders en leerkrachten tegenwoordig nauwelijks afwijken van de zorgen die zo'n honderd jaar geleden werden geuit. Als deze zorg zo leefde, is de vraag interessant waarom de gymnastiek zoveel moeite moest doen om zich een volwaardige plaats in het onderwijs te veroveren, een proces dat overigens volgens een aantal auteurs van de bundel nog steeds niet is voltooid. Hierop wordt echter maar kort ingegaan door Johannes Peter Kramer, leraar lichamelijke opvoeding, en Camiel van Reeth, kinesitherapeut, die de bundel, na een algemene 'Inleiding' van de redacteuren Mark d'Hoker en Jan Tolleneer (7-15), openen met een 'Schets van de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding in Nederland' (17-35). Zij staan wel stil bij de problemen waarmee het bewegings? onderwijs had te kampen in de beginjaren na de wettelijke invoering van de lichamelijke op? voeding in het onderwijsprogramma, in 1857 als vrijwillig vak voor de lagere school en in 1863 als verplicht onderdeel van het middelbaar onderwijs. Maar over het overwinnen van de kinderziekten zoals een gebrek aan gymnastieklokalen en het ontbreken van een richtlijn voor het aantal uren dat aan beweging moest worden besteed, vertellen de auteurs na hun diagnose ervan niets meer. Zij richten hun aandacht vooral op de verschillende idee?n over het bewegings? onderwijs, waardoor hun bijdrage een opsomming is geworden van namen, stromingen en richtingenstrijd tussen de verschillende visies. De niet ingevoerde lezer komt niet te weten waarover het gaat. De bijdrage van Laporte had wat dat betreft beter aan die van Kramer en Van Reeth vooraf kunnen gaan. Hierin worden de verschillende stromingen wel uitgelegd, waardoor de tekst ook voor de leek interessant blijft. De aardigste en ook best geschreven bijdragen zijn die van Ruud Stokvis en Roland Renson. Stokvis behandelt 'De school en de ontwikkeling van de sport- en spelbeweging in Nederland' (59-75) en Renson doet hetzelfde voor Belgi?: 'De school en de ontwikkeling van de sport- en spelbeweging in Belgi?' (77-101). De twee auteurs benaderen hun onderwerp op totaal ver? schillende wijze. Stokvis kiest als socioloog voor een vergelijking tussen de fabriek en de school. Het schoolgebouw bood jongeren de gelegenheid zich te mobiliseren, zoals de fabriek dat deed voor de arbeiders. De jeugd verzette zich tegen de opvattingen van ouders en school over orde en fatsoen. Voetbal bleek daarin een sterk wapen. Met veel sprekende citaten maakt Stokvis duidelijk dat voetbal ook aan het einde van de vorige eeuw al oorlog was. Het spel werd te vuur en te zwaard door de oudere generatie bestreden; een niet te winnen gevecht, zoals zou blijken. Ook Renson, doctor in de lichamelijke opvoeding, besteedt veel aandacht aan voetbal. Hij beschrijft de introductie van het spel in Europa door Engelse en Ierse kostschooljongens. Voet? bal werd bijzonder populair, evenals de sportpater, die zich met de organisatie van middelen en teams bezighield. Maar het bleef een buitenschoolse activiteit. Het duurde nog vele decennia voor sport als onderdeel van het bewegingsonderwijsprogramma overal in Belgi? werd geac? cepteerd. De oude garde vond gymnastiek, waarin geen wedstrijdelement zat, pedagogisch verantwoorder.


This is a preview of a remote PDF: http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.4482/galley/4536/download/

A.H. Huussen jr.. L. de Gou, De Staatsregeling van 1801. Bronnen voor de totstandkoming, BMGN - Low Countries Historical Review, 1997, 281-282, DOI: 10.18352/bmgn-lchr.4482