NVMO-congres 2007

Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, Feb 2008

De uitgever Bohn Stafleu van Loghum gaf de NVMO dit jaar de mogelijkheid vier prijzen toe te kennen op het congres: voor de beste wetenschappelijke paper, de beste onderzoekspaper, de beste paper ‘uit de onderwijspraktijk’ en voor de beste poster.

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2FBF03078231.pdf

NVMO-congres 2007

De uitgever Bohn Stafleu van Loghum gaf de 0 0 M. Witkowska, Katholieke Universiteit Leuven , Dienst NVMO dit jaar de mogelijkheid vier prijzen toe te kennen op het congres: voor de beste wetenworden in dit nummer van het Tijdschrift voor schappelijke paper, de beste onderzoekspaper, Medisch Onderwijs gepubliceerd. de beste paper 'uit de onderwijspraktijk' en voor de beste poster. De jury bestond uit: Dr. Johanna Schnrock-Adema (UMC GroMarie-Claire Kleinegris (StudentenvertegenUniversiteit Maastricht) - Bij de nominaties en de uiteindelijke keuze van de beste bijdrage in elke categorie, werd rekeProf. dr. Anselme Derese (UGent), voorzitter ning gehouden met de kwaliteit van de abProf. dr. Peter Van Beukelen (UU, Diergestract, de kwaliteit van de poster, resp. de presentatie op het congres en de kenmerken in de rele onderwijspraktijk en het vernieuoriginaliteit, toepasbaarheid van de conclusies woordiger in het bestuur van de NVMO en Genomineerden posters Marjo Wijnen-Meijer et al. (UMC Utrecht). De Gevolgde procedure De jury voerde een eerste screening uit van de positie en terminologie van het schakeljaar: een abstracts in het programmaboek. De geselecinternationale vergelijking. teerde bijdragen in de categorien onderzoeksIn de poster wordt op basis van beschrijvinpaper en paper uit de onderwijspraktijk wergen van curricula van een aantal universiteiten den op het congres door minstens twee een vergelijking gemaakt van de structuur en juryleden bijgewoond. De wetenschappelijke terminologie van de medische opleidingen in papers werden beoordeeld door n van de juNederland, Noord-Amerika, Belgi en het Verryleden met onderzoekservaring en door de enigd Koninkrijk. Het Nederlandse schakeljaar zaalvoorzitter. Alle posters die opgehangen blijkt qua verantwoordelijkheden en bevoegdwerden in de foyer, werden nog eens door de heden overeen te komen met het Noord-Amerijuryleden bekeken. In elke categorie werden kaanse internship, het Engelse pre-registration twee of meer bijdragen genomineerd. De keuze house-officer en het Belgische zevende jaar van Prijs voor elke categorie voor de beste bijdrage uit elke categorie gebeurde na intensieve deliberatie binnen de jury. Elke prijswinnaar ontving op de slotzitting een De poster toont aan dat studenten zeer posibos bloemen en een boekenbon ter waarde van tief reageren op de feedback die ze van een we150 euro, te kiezen uit het aanbod van BSL. De tenschappelijk medewerker kregen op een auteurs worden uitgenodigd hun bijdrage of armondelinge presentatie die ze gaven op het Marta Witkowska et al. (KU Leuven). Feedback: studenten willen meer! einde van een vier weken durend gentegreerd en daarom de beste methode blijkt voor deze practicum in de 3de bachelor biomedische wetandheelkundige OSCE. tenschappen. De studenten kregen feedback op De prijs voor de beste onderzoekspaper ging taalgebruik, intonatie, articulatie, volume, snelheid, enthousiasme, contact met het publiek, ruimtegebruik, houding en over de kwaMartine Boerjan et al. (UMC St Radboud/UGent). liteit van hun Powerpoint presentatie. De stuSimulatiepatinten en herhaalde simulatie van denten vonden de feedback nuttig en leerrijk. medische condities, wat zijn de gevolgen? De helft pleitte ervoor om feedback als een vast De auteur is een studente uit Nijmegen die onderdeel van het practicum te implementeren het onderzoek deed in het kader van haar onen zelfs uit te breiden naar vroegere jaren en derzoeksstage aan de Universiteit Gent. Zij andere opleidingsonderdelen. De prijs voor de beste poster ging naar: voerde bij acht ervaren simulatiepatinten semi-gestructureerde interviews uit, waaruit bleek dat simuleren van medische condities Jessica van Nies et al. (LUMC). Is grootschalig zowel positieve als negatieve effecten heeft. Sionderwijs even effectief als kleinschalig ondermuleren geeft plezier en tevredenheid en werkt wijs? Gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek voor sommigen zelfs therapeutisch, maar het naar het verschil tussen de effectiviteit van grootkan ook gevoel van verhoogde kwetsbaarheid, schalig en kleinschalig onderwijs in een derdestress en angst veroorzaken voorafgaand aan jaars blok geneeskunde. volgende simulaties. De jury waardeert het dat De auteurs vonden geen verschil in effectiviin dit onderzoek aandacht wordt besteed aan teit tussen werkgroepen en werkcolleges in het een relatief vergeten effect van het inzetten van blok en concluderen dat het goed is om de stusimulatiepatinten in het praktische medische denten keuzevrijheid te geven en ze ook in de toekomst naast werkgroep als alternatief werkcollege aan te bieden. Genomineerden papers uit de onderwijsAls algemene opmerking bij deze categorie vond de jury dat de posters in het algemeen op Paul Gobe et al. (LUMC). Vernieuwing van mivlak van visuele attractiviteit verbeterd kunnen croscopieonderwijs door middel van Blended Genomineerden onderzoekspapers Meta Schoonheim-Klein et al. (ACTA/Universiputerles op Blackboard. Een toets op het einde teit Maastricht). Vergelijking van twee normevan het doorlopen van de computerles verringsmethoden voor een tandheelkundige OSCE plicht de studenten om daar voldoende aanmet behulp van gewogen verlies en betrouwdacht aan te besteden. De computerles maakt gebruik van virtuele microscopie. In de handsDe auteurs vergeleken de Borderline Regreson sessie wordt verdieping geboden. sie methode met de Angoff methode voor het bepalen van de slaag/zakgrens of cesuur. Zij Luuk van Lonkhuijzen et al. Naar kwaliteitssysconcluderen dat de Borderline Regressie metemen in de medische vervolgopleidingen. thode een meer geloofwaardige en meer beDe auteurs beschrijven hoe het binnen een trouwbare uitslag geeft dan de Angoff methode Onderwijs- en OpleidingsRegio (OOR) moge De auteur beschrijft een onderwijsinnovatie waarbij een hands-on practicum in de microscopiezaal wordt voorafgegaan door een comlijk bleek de kwaliteit van de opleiding en het Deze studie maakt eveneens gebruik van de opleidingsklimaat per kliniek te verbeteren. De PHEEM, met als doel de opleidingsklimaten te gezonde concurrentie tussen de klinieken bleek vergelijken in verschillende stageplaatsen voor daarbij een duidelijke stimulans. Voor de evacoassistenten. De bevindingen kunnen vergeleluatie van de kwaliteit werd gebruikt gemaakt ken worden met die uit een Britse studie van gevalideerde vragenlijsten: de Postgraduate waarin twee benaderingen van participatie Hospital Education Environment Measure worden herkend: een expanded approach en (PHEEM) en het Clinical Teaching Effectiveeen restrictive approach. ness Instrument (CTEI). Hanke Dekker et al. (UMCG/RUG). Kenmerken Wieger van der Meulen et al. (UMcG). De selecvan reflectiestimulerende schriftelijke feedback tiemethodiek van opleiders bij de huisartsopleiding ter discussie. Geconcludeerd kan worden dat bij portfolios De auteurs kijken kritisch naar de selectieproschriftelijke feedback te karakteriseren is op cedure van huisartsenopleiders in Groningen. drie dimensies. Feedback in vraagvorm en geDe huidige selectieprocedure kan op diverse richt op persoonlijke ontwikkeling lijkt reflecpunten worden verbeterd. De selectiecriteria tie het meest te stimuleren. Docenten dienen kunnen zowel voor de kandidaten als voor de uitvoerig te worden getraind in het geven van toetsende stafleden duidelijker worden gereflectiestimulerende schriftelijke portfoliomaakt. Het gebruik van nieuwe selectie-instrumenten wordt aanbevolen, evenals een proeftijd Marjolein Heijne-Penninga et al. (UMCG/ RUG). De invloed van diepgaand leren en intellectualiteit De prijs voor de beste paper uit de onderwijsop de resultaten van open en gesloten boek-toetsen. praktijk ging uiteindelijk naar de bijdrage van De auteurs vergelijken open en geslotenhet KNMG-studentenplatform, in de persoon van boek toetsen en vinden voor geen van beide Maarten Anderegg. Burn-out bij coassistenten. toetsvormen een verband tussen diepgaand Uit het onderzoek blijkt dat n derde van de leren en resultaat. Zij stellen de vraag of diepcoassistenten regelmatig last heeft van burngaand leren nog steeds het meest wenselijk is out. Angst voor persoonlijk falen en de hoge in de huidige tijd, met de huidige generatie werkdruk lijken hierin een belangrijke rol te spelen. Zij geven aan dat emotionele ondersteuning vanwege de faculteit tekort schiet. FaUiteindelijk werd de bijdrage geselecteerd van culteiten en opleiders zouden hieraan meer Ally van Hell et al.(UMCG). Tijdsbesteding van aandacht moeten besteden. Genomineerden wetenschappelijke papers De jury was in deze categorie erg onder de inwerkt. De tijdsbesteding aan onderwijs, begedruk van de kwaliteit van de bijdragen. Het was leiding en het zelfstandig uitvoeren van condan ook bijzonder moeilijk om uit de genomisulten blijkt niet samen te hangen met een neerden n beste bijdrage te selecteren. De hogere gepercipieerde kwaliteit van de leervolgende bijdragen haalden het net niet: omgeving. De auteur besluit dat nog onderzocht moet worden wat het relatieve belang is Klarke Boor et al. (VUmc). Hoe klinische opleivan de duur van de werkzaamheden voor de dingsklimaten verschillen: een gecombineerde gepercipieerde leerzaamheid van het coassiskwantitatieve en kwalitatieve studie. coassistenten en perceptie van de leeromgeving. Uit het onderzoek blijkt dat een deel van de coassistenten mr dan acht uur per dag In het algemeen was de jury erg positief over het gebruik van literatuurverwijzingen ter verantwoording van beweringen op de Powerpoint presentaties van de genomineerde kandidaten. Anselm Derese Voorzitter jury NVMO-congres 2007 Is grootschalig onderwijs even effectief als kleinschalig onderwijs? Gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek naar het verschil tussen de effectiviteit van grootschalig en kleinschalig onderwijs in een derdejaars blok Geneeskunde J.A.B. van Nies, S.W.M. Peters, S.Dijkstra, D.D. Mansvelder-Longayroux, F.W. Dekker, Z. de Jong Probleemstelling: Uit ons in 2006 gepresenteerd onderzoek is gebleken dat, indien de keuze geboden wordt, ruim een derde deel van de studenten werkcolleges (grootschalige setting, zonder inschrijving vooraf, dezelfde stof in hetzelfde tijdsbestek als in werkgroep) prefereert boven werkgroepen (15 studenten/docent, inschrijving vooraf verplicht). We konden echter niet tot een sluitende conclusie komen wat betreft de effectiviteit. Dit abstract rapporteert de resultaten van een gerandomiseerd onderzoek (RCT) dat wederom plaats vond in blok Bewegingsapparaat (BA). Deze trial vergelijkt de effectiviteit van werkgroepen versus werkcolleges en de tevredenheid van deelnemers met het ontvangen werkonderwijs. Methode: Alle potentile deelnemers aan het blok BA (driewekelijks blok met drie werkgroepen/of werkcolleges in totaal) werden gevraagd om deel te nemen aan het onderzoek. De deelnemers werden gerandomiseerd tussen werkgroepen (WG) en werkcolleges (WC). De nietdeelnemers hadden een vrije keuze. Als maat voor de effectiviteit van de werkwijze werd de uitslag van het tentamen gebruikt. Naast meerkeuzevragen (MC) en extending-matching (EM) vragen waren er ook twee open vragen waarin de in WG en WC geoefende denkwijze moest worden toegepast. De tevredenheid werd onderzocht door middel van een schriftelijke enqute die na het tentamen werd gehouden. De verschillen tussen de groepen werden geanalyseerd met chi-kwadraat en Ttoets als gendiceerd. Resultaten: 107 (53 WG en 54 WC) RCT deelnemers hebben de beoogde interventie gevolgd en gegevens aangeleverd. In totaal 99 studenten hebben niet deelgenomen aan het onderzoek (51 WG, 38 WC en 10 geen van de beide interventies). Voor de huidige analyse werden alleen de gegevens van de RCT deelnemers gebruikt. Er was geen significant verschil tussen de WG en WC deelnemers in het gemiddelde eindcijfer (SD) behaald voor het bloktentamen BA (6.6 (1.1) resp. 6.6 (1.0)) noch voor de gemiddelde score voor MC vragen, EM vragen en open vragen. Het merendeel van de WG deelnemers (86,7%) was tevreden met de werkgroepdocenten en 86,7% was achteraf tevreden gerandomiseerd te zijn in WG. Het merendeel van de WC deelnemers (85%) was ook tevreden met de docenten en 37,5% was tevreden gerandomiseerd te zijn in de WC. Van de WC deelnemers vond 50% dat tijdens de werkcolleges actiever door de studenten werd meegedaan dan dat ze van hoorcolleges gewend zijn; 43,5% WG versus 45% WC deelnemers voelde zich goed voorbereid voor het tentamen. Conclusie: Er is geen verschil in de effectiviteit van de werkgroepen en werkcolleges in dit blok. Zowel de deelnemers aan WG als WC waren merendeels tevreden met de kwaliteit van het geboden werkonderwijs en voelden zich goed voorbereid voor het tentamen. Wij concluderen dat het goed is om de studenten keuzevrijheid te geven en ze ook in de toekomst naast werkgroep als alternatief werkcollege aan te bieden. De positie en terminologie van het schakeljaar: een internationale M. Wijnen-Meijer, Th.J. ten Cate, J.C.C. Borleffs of het eerste jaar van het nieuwe foundation programme en het Belgische zevende jaar. In Zweden is er geen keuze wat betreft de invulling van de stages. Deze vergelijking beperkt zich tot vijf modellen die regelmatig in de literatuur genoemd Probleemstelling: Aan een aantal Nederlandse worden. Er bestaan meer modellen. In een voluniversiteiten is recent het zogenaamde schagende rapportage zal hier aandacht aan bekeljaar ingevoerd, met als doel de doorstroming van de basis- naar de vervolgopleiding te versoepelen. Gedurende dit schakeljaar kiest de student een aantal (langere) stages, waardoor de student eerder in het traject moet nadenken over de gewenste richting van de vervolgopleiding. Tijdens deze stages werkt de student als semi-arts zelfstandiger en met meer verantwoordelijkheid dan tijdens de coschappen. Bij internationale vergelijkingen blijkt dat de positionering van het schakeljaar tot spraakverwar Feedback: studenten willen meer! M. Witkowska, N. Druine, A. Desmet ring kan leiden. Is een coassistent, semi-arts, Probleemstelling: Uit de literatuur blijkt dat anios en aios nu het best te vergelijken met een feedback zeer leerzaam kan zijn voor studenclerk, een intern, een house-officer, een resiten. De beste feedback komt zo kort mogelijk dent of een registrar? Daarnaast zijn de bena de prestatie, is gendividualiseerd en bevat voegdheden en het moment van beperkte en tips voor de toekomst. Feedback is vooral volledige opname in een register niet uniform wenselijk bij vaardigheden, die bijgestuurd in internationaal perspectief. Hoe moet het kunnen worden vanuit deze feedback (in dit schakeljaar in internationaal perspectief gepogeval presentatievaardigheden). De studenten sitioneerd worden? Het doel van deze bijdrage aan de Faculteit Geneeskunde krijgen meestal is een helder overzicht te geven in dit veld. enkel de punten en zelden commentaar op Methode: Op basis van beschrijvingen van curhun prestatie. We boden hen feedback aan ricula van een aantal universiteiten, is een verover hun mondelinge presentatie. Gendivigelijking gemaakt van de structuur en terminodualiseerde feedback is tijdsintensief en logie van de medische opleidingen in Nederland, vraagt bijgevolg een grondige afweging van Noord-Amerika, Belgi, het Verenigd Koninkrijk kosten en baten. We wilden een antwoord (oude en nieuwe systeem) en Zweden. Bij deze krijgen op de volgende vragen: Wat vinden de vergelijking zijn de volgende parameters gestudenten van de feedback? Hebben ze er iets bruikt: mate van verantwoordelijkheid, duur van de stages, keuzemogelijkheden, bevoegdheOpzet: Op het einde van het vier weken duden en registratiestatus. rende gentegreerde practicum in het derde Resultaten en conclusie: Wat betreft de posijaar bachelor Biomedische Wetenschappen tie van het schakeljaar is de conclusie dat dit geven de studenten een mondelinge presentajaar in chronologisch opzicht het laatste jaar tie. De wetenschappelijk medewerker volgde van de basisopleiding is. Qua verantwoordelijkalle presentaties en gaf elke student kort erna heden en bevoegdheden zijn er meer overeenpersoonlijk schriftelijke feedback met tips ter komsten met het Noord-Amerikaanse internverbetering. De volgende aspecten werden beship, het Engelse pre-registration house-officer oordeeld: taalgebruik, intonatie, articulatie, volume, snelheid, enthousiasme, contact met het publiek, ruimtegebruik, houding en kwaliteit van de Powerpointpresentatie. Methode: Na afloop van het practicum kregen ze uitgenodigd om aan de hand van enkele open vragen hun mening te geven over de gekregen feedback. De e-mail kwam van de wetenschappelijk medewerker en niet van de docenten, Onderzoekspapers Simulatiepatinten en herhaalde simulatie van medische condities, wat zijn de gevolgen? M. Boerjan, F. Boone, S. Anthierens, E.M. van Weel-Baumgarten, M. Deveugele waardoor we hoopten sociaal wenselijke reacProbleemstelling: Simulatiepatinten worden ties tot een minimum te beperken. Na twee al sinds eind jaren 60 ingezet in (medisch) onweken ontvingen de studenten een herinnederwijs om klinische en communicatieve vaardigheden van studenten te trainen en te evaluResultaten: De respons was 46% (n=40). Het eren. Eerder onderzoek heeft zich vooral gericht moment van de oproep was niet ideaal, aangeop de simulatiepatint als didactisch instruzien dit tijdens de examenperiode viel. Alle 40 ment waarbij toepasbaarheid, betrouwbaarheid studenten zijn zeer enthousiast over deze feeden validiteit centraal staan. Desondanks is dit back, ze vinden het nuttig en leerrijk. 75% van didactisch instrument een individu en is het de respondenten gaf expliciet aan de tips zeker niet onwaarschijnlijk dat simuleren persoonlijke te gebruiken. De helft pleitte ervoor om feedgevolgen heeft. Dit onderzoek richt zich op de back als een vast onderdeel van het practicum invloed van simuleren op het welzijn, de percepte implementeren en zelfs uit te breiden naar tie van de eigen gezondheid en de relatie met de vroegere jaren en andere opleidingsonderdelen. Conclusie: De reacties van de studenten over Methode/opzet: In een kwalitatief onderzoek de gekregen feedback waren zeer positief. Ze zijn bij acht ervaren simulatiepatinten semibevestigen de in de literatuur aangehaalde gestructureerde interviews afgenomen. Deze voordelen van feedback. De vrij lage respons interviews zijn geanalyseerd met behulp van de heeft mogelijk een positieve bias op de resultamodified grounded theory analysis approach, ten. Misschien zijn het vooral enthousiaste stuwaarbij vanuit de interviews themas zijn ontwikdenten die gereageerd hebben? Uit ervaring keld door middel van open en axiaal coderen. met studentenbevragingen weten we echter dat Resultaten: Invloed op welbevinden. Simulehet meestal de meest ontevreden studenten zijn ren van medische condities geeft positieve en die hun stem laten horen. negatieve effecten. Positief zijn: plezier en teDeze gegevens zijn ook voor de facultaire bevredenheid. Voor sommigen werkt simuleren leidsverantwoordelijken een stimulans om het zelfs therapeutisch. Negatief zijn: een gevoel geven van feedback verder te implementeren. van verhoogde kwetsbaarheid, stress en angst Uiteraard is het ook van belang na te gaan of voorafgaand aan simulaties. Verder veroorzafeedback de prestatie van de student gunstig ken zowel de rol, overeenkomsten van die rol benvloedt. We willen dit in de toekomst verder met hun eigen leven en het gedrag van studenOnderwijs Geneeskunde, Campus Gasthuisberg, Herestraat 49, O&N2, bus 400, 3000 Leuven, Belgi. E-mail: ten emoties. Deze emoties leiden tot moeheid, ontevredenheid over de eigen prestatie en slaapproblemen na het simuleren. Invloed op de perceptie van de eigen gezondheid. Simulatiepatinten ervaren hun medische kennis als toegenomen. Dit leidt tot een andere manier van omgaan met eigen symptomen: ze onderscheiden ernstige beter van minder ernstige symptomen, zoeken meer medische informatie op en gebruiken adviezen die ze hebben gekregen tijdens het rollenspel, voor zichzelf. Zij hebben het idee dat ze door deze drie veranderingen de huisarts minder vaak consulteren dan voorheen. Invloed op de relatie met de eigen arts. Het werk als simulatiepatint geeft meer inzicht in Vergelijking van twee normeringmethoden voor een tandheelkundige OSCE met behulp van gewogen verlies en betrouwM.E. Schoonheim-Klein, L.L.M.H. Habets, A. Muijtjens, U. van der Velden, C.P.M. van der de vaardigheden die een arts dient te hebben en Inleiding: Onterecht gezakte studenten voor kliin de complexiteit van het artsenberoep. Daarnische eindexamens kunnen door herkansing bij realiseren simulatiepatinten zich dat voor alsnog slagen, maar de beslissing onvoldoende dezelfde symptomen verschillende artsen vercompetente studenten te laten slagen is nooit schillende therapien geven. Hierdoor gaan zij terug te draaien en heeft consequenties voor de hun arts minder als autoriteit zien en worden kwaliteit van de zorg. Beslissingen over slagen zij tijdens consulten met hun arts kritischer, asen zakken worden genomen op grond van cesertiever en alerter dan voorheen. suurbepalingen door toepassing van een normeDiscussie/implicaties voor de praktijk: Stress ringmethode. Vanwege inconsistente resultaten voorafgaand aan het simuleren is wellicht geen van studies naar betrouwbaarheid en geloofnegatief effect, omdat deze juist positief kan waardigheid van normeringmethodes voor bijdragen aan het spelen van een rol. DaarenteOSCEs, is het doel van deze studie de geloofgen zijn de effecten na het simuleren (moeheid, waardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeontevredenheid en slaapproblemen) ongeken van de Angoff en de Borderline Regressie wenst. De ervaren toename in medische kennis (BR) normeringmethode voor een tandheelkunleidt tot een andere manier van omgaan met eigen symptomen. Dit is zorgwekkend, omdat Materiaal en methode: In hun eerste jaar in de verkregen informatie tijdens het rollenspel de onderwijspraktijk kregen studenten tandvaak incompleet en soms zelfs onjuist kan zijn. heelkunde 1 x per week feedback (elektronisch Ten slotte geeft het werk als simulatiepatint vastgelegd) van hun begeleider. Aan het eind handreikingen om voor het eigen gevoel beter van dit jaar, voor de overgang naar de Masterte communiceren met de arts. fase, kregen studenten een globale overallMet behulp van goede selectie, voorbereiding praktijkbeoordeling van hun begeleider op een en debriefing kunnen de negatieve effecten movijf-puntsschaal: 84% werd voldoende compegelijkerwijs verminderd worden. M. Boerjan, UMC St Radboud, Huisartsgeneeskunde 117, p/a Weverstraat 29, 5612 CW Eindhoven. Email: deeld d.m.v. een OSCE met 14 stations uit vier competentiedomeinen/inhoudsgebieden. In 5-minuten stations werd de student beoordeeld met een criteriumlijst, resulterend in een checklistscore (1-10) en onafhankelijk daarvan kreeg de student bij het betreffende station een globale beoordeling (1-5). De BR-cesuur per OSCE-station werd bepaald door de checklistscores met lineaire regressie te vergelijken met de globale scores. Een inhoudsdeskundige jury bepaalde een Angoff-cesuur voor elk station. Het slagen voor de hele OSCE werd berekend met compensatie van stations binnen de vier competentiedomeinen. Alle domeinen moesten Betrouwbaarheid van beide normeringmethoden werd bepaald met RMSE, de error van Papers uit de Onderwijspraktijk Burn-out bij coassistenten KNMG-studentenplatform de cesuur, uitgedrukt op de scoreschaal. DaarProbleemstelling: In december 2006 werd in naast werden de BR-methode en de Angoff-meMedisch Contact bericht over een hoge prevathode op criteriumvaliditeit (geloofwaardiglentie van burn-outverschijnselen onder artsheid) vergeleken met het praktijkoordeel. Het assistenten in Nederland. Ook coassistenten slagen van een onvoldoende student werd een vormen een groep die vanwege lange werktijernstiger fout geacht dan het zakken van een den, steeds veranderende werkomgeving of competente student en werd daarom een groter moeite met het maken van loopbaankeuzes gewicht (verlies) toegekend, varirend van 1 tot wellicht vatbaar is voor burn-out gerelateerde 10. Om vast te stellen welke normeringmeverschijnselen. Stress tijdens de coschappen thode minimaal verlies door foute kwalificaties wordt zelfs genoemd als predictor voor burnoplevert (het meest geloofwaardig), werd het out tijdens de assistentschappen. gewogen verlies geanalyseerd van beide normeDoel: Het KNMG Studentenplatform wil onringmethoden. Het gewogen verlies werd gedederzoeken of onder coassistenten burn-out gefinieerd als een gewogen som van sensitiviteit relateerde verschijnselen vrkomen en wat (terecht geslaagden/competenten) en specificidaarvan de oorzaken zijn. Daarnaast wil het teit (terecht gezakten/incompetenten). KNMG Studentenplatform inventariseren of Resultaten: Slagingspercentages van Angoffcoassistenten vinden dat facultaire vertrouen BR-methode waren 34,5% en 61,3%. wenspersonen hierover benaderbaar zijn en Voor het gewicht varirend van 1-10 was het hulp kunnen bieden. verlies van de BR-methode (0,34 0,74) in alle Methode: Jaarlijks houdt het KNMG Studengevallen kleiner dan dat van de Angoff-metenplatform een Studentenpanel (digitale enthode (0,58 0,79). qute) onder alle studentleden van de KNMG. De betrouwbaarheid (RMSE) van de cesuur Geneeskunde studenten van alle studiejaren en per competentiedomein was voor de Angoff-cesfaculteiten worden hiervoor benaderd. Aan alle uur 1,8%-2,2% en voor de BR-cesuur 0,6%-0,7%. coassistenten in het Studentenpanel van 2007 Conclusie: Bij het hanteren van compensatie is gevraagd of zij op regelmatige basis hun binnen competentiedomeinen geeft de Bordercoschappen niet meer zien zitten en in hoeline Regressiemethode een meer geloofwaarverre zij dit als gevolg zien van een te hoge dige en meer betrouwbare uitslag dan de Anwerkdruk, emotionele overbelasting, privomgoff-methode en lijkt daarom de beste methode standigheden of angst voor persoonlijk falen. voor deze tandheelkundige OSCE. M.E. Schoonheim-Klein, ACTA, Parodontologie, Louwesweg 1, 1066 EA Amsterdam. Aanvullend werd hen gevraagd hoeveel uren per week zij in het ziekenhuis werkzaam zijn en hoe zij de kwaliteit en bereikbaarheid van de emotionele ondersteuning en begeleiding binnen de faculteit beoordelen. Daarnaast zijn de studieadviseurs van de acht geneeskunde faculteiten in Nederland benaderd. Hen zijn vragen voorgelegd over de ervaring met burn-outverschijnselen onder coassistenten. Ook is gevraagd naar hun mening over heid van de coassistenten geeft bovendien aan de eigen toegankelijkheid en bereikbaarheid. dat de emotionele ondersteuning binnen de faResultaten: Van de 6.216 benaderde studenten culteit tekort schiet. Faculteiten en opleiders hebben 1.982 gerespondeerd (responspercenzouden hieraan meer aandacht moeten bestetage 31,9%). De respondenten zijn representaden en zouden hiervoor beter bereikbaar moetief voor de populatie geneeskunde studenten in Nederland voor wat betreft geslacht, faculteit en studiejaar. Van de groep respondenten gaf 40% aan met de coschappen begonnen te zijn. Ruim een derde van hen (35%) geeft aan de coschappen regelmatig niet meer te zien zitten op basis van angst voor persoonlijk falen. In 33% van de gevallen ziet een coassistent het niet meer zitten vanwege een hoge werkdruk. Privomstandigheden (15%) en emotioneel zwaar werk (14%) zijn minder vaak een oorzaak. KNMG Studentenplatform, p/a Janvossensteeg 7A, 2312 Vernieuwing van microscopie onderwijs door middel van Blended Learning Probleemstelling: Het histologieonderwijs Coassistenten die >50 uur per week werken vindt vanouds plaats in practica, waarbij stu(41% van de coassistenten), geven vaker aan denten aan een tweekops-microscoop preparadan coassistenten die <40 uur per week werken ten bekijken en de waargenomen structuren tedat ze het niet meer zien zitten door hoge werkkenen. Er rees behoefte aan vernieuwing druk (43% vs. 26%) en emotioneel zwaar werk vanwege verschillende argumenten: (18% vs. 9%). niet elk exemplaar van het preparaat toont Slechts 51% van de coassistenten is van mede gezochte structuren even goed, ning dat de, voor deze problematiek aangewezen instanties binnen de faculteit (opleiders, studenten hebben weerzin tegen het tekenen, de ruime inzet van assistenten bij deze pracdocenten, vertrouwenspersonen) voldoende betica is kostbaar. reikbaar zijn. Ruim 38% beoordeelt de emotioAangezien de afdeling zelf computeronderwijs nele ondersteuning vanuit deze instanties als ontwikkelt, werd gedacht dit in te zetten. Gezocht werd naar een geschikt format, waarbij In deze laatste resultaten schuilt tegenstrijde studieresultaten liefst zouden verbeteren of digheid met de antwoorden van de studieadtenminste gelijk blijven. viseurs; deze waren over het algemeen van Methode/opzet: Gekozen werd voor een mening goed bereikbaar te zijn voor de geblended learning opzet. Onder blended learneeskunde studenten. ning wordt verstaan: een combinatie van Conclusie: Uit ons onderzoek blijkt dat ruim e-learning en contactonderwijs. De studenten een derde van de coassistenten aangeeft dat zij krijgen eerst een online computerles en verde coschappen regelmatig niet meer zien zitvolgens een hands-on microscopiesessie. In ten. Ondermeer angst voor persoonlijk falen en de computerles worden de basisbegrippen beeen hoge werkdruk spelen hierbij een belanghandeld en wordt ingegaan op de relatie tusrijke rol. Hoewel bij deze responsgraad de resen weefselvorm en -functie. Naast theorie presentativiteit van deze resultaten goed in bevat de computerles een gentegreerde virtuogenschouw genomen moet worden, ziet het ele microscoop (http://www.path.uiowa.edu/ KNMG Studentenplatform een trend in het virtualslidebox/), waarbij vragen gesteld worvrkomen van burn-out gerelateerde verden. In de hands-on sessie wordt vervolgens schijnselen onder coassistenten. De meerderverdieping geboden. Resultaten: De resultaten vielen oorspronkelijk tegen. We namen waar dat de studenten soms zonder nadenken door de computerles heen klikten en dat de stof blijkbaar niet duidelijk genoeg overkwam; men stelde erg basale vragen. Bij het opvolgende hands-on practicum bleek men minder te weten dan in voorgaande jaren en de toets bleek slechter gemaakt. We overwogen de volgende oorzaken: de lesvorm daagde onvoldoende uit en er was onvoldoende stok achter de deur. Alleen O.P. Gobe, LUMC, Anatomie en Embryologie, Postbus 9600, Postzone S-1-P, 2300 RC Leiden. Naar kwaliteitssystemen in de medische L.R.C.W. van Lonkhuijzen, M.J.E. Mourits, H.P. Eising, P. Remmelts, E. Jippes aantrekkelijk aanbieden bleek toch niet geProbleemstelling: De medische vervolgopleinoeg bij een onderwerp dat veel medisch studingen worden momenteel ingrijpend gewijdenten minder aanspreekt, zigd. De belangrijkste verandering bestaat uit er was onvoldoende beeld-feedback. Als je de invoering van het competentiegerichte niet wist hoe een structuur eruitzag, wist je leren. Om competenties te ontwikkelen dient het na de les nog niet. de aios expliciete en gestructureerde feedback Daarop werden de volgende aanpassingen te krijgen. Echter ook de opleiding zelf dient onderwerp te zijn van reflectie en feedback om tussen de computerles en het hands-on pracdeze te verbeteren. Uiteraard is er de verplichte ticum werd een Blackboard toets geplaatst, vijfjaarlijkse opleidingsvisitatie, maar deze gawelke men voldoende dient te hebben voor randeert niet dat de kwaliteit voortdurend op toelating tot het practicum, de agenda staat. De opleiding Obstetrie & Gyom ongericht klikken te ontmoedigen, werd naecologie in de Onderwijs en OpleidingsRegio een scoringssysteem ingebouwd, waarbij (OOR) Noord- en Oost Nederland heeft in de men meer punten krijgt als men een vraag de vorm van een jaarlijkse regionale evaluatiedag eerste keer juist beantwoordt. Bij voldoende aan deze vorm van kwaliteitszorg een invulling punten kan men als beloning een samenvatgegeven. Hoe heeft deze dag zich in de loop der tijd ontwikkeld en hoe haalt een opleiding het alle vragen werden voorzien van uitgebreide maximale rendement hieruit? tekstuele en visuele feedback. Methode/opzet: De regie voor de jaarlijkse In de aangepaste opzet hadden we de indruk evaluatie is in handen van de aios op de unidat de studenten inhoudelijk goed en intensief versitaire locatie. Aanwezig zijn alle opleiders, de computerles bestudeerden. We vonden de plaatsvervangend opleiders en aios uit de verdoor studenten gestelde vragen een goede diepschillende opleidingsklinieken van de OOR. Bij gang hebben en het kennisniveau bij het handseerdere bijeenkomsten lag de nadruk meer op on practicum sterk verbeterd. Ook de toetsrekwantitatieve (productie)gegevens, de laatste sultaten waren weer gestegen. Conclusie/aanbevelingen: een blended learning opzet werkt goed, jaren worden ook meer kwalitatieve gegevens (zoals opleidingsklimaat, geboden supervisie, veiligheid) besproken. Deze gegevens worden naast een intrinsiek motiverende les blijft verzameld door de aios in iedere afzonderlijke een extrinsieke motivatie (toets) onontbeerkliniek en plenair per kliniek gepresenteerd en bediscussieerd. Vervolgens worden afspraken de optimale opzet en interface van computergemaakt voor verbeteringen het komende jaar. onderwijs wordt bereikt door bijstelling aan Vanuit de behoefte om de kwaliteitszorg voor de hand van ervaringen. de opleiding verder te professionaliseren zijn het afgelopen jaar enkele gevalideerde vragenlijsten gentroduceerd: op systeemniveau: de Posgraduate Hospital Education Environment Measure (PHEEM) waarmee het leerklimaat van iedere kliniek in kaart wordt gebracht. De resultaten hiervan worden besproken op de evaluatiedag, op systeem- en individueel niveau: de Clinical Teaching Effectiveness Instrument (CTEI) waarmee de individuele docentcompetenties van de supervisoren en de geaggregeerde teamcompetenties in beeld worden gebracht. Teamscores worden besproken tijdens de evaluatiedag, terwijl de individuele scores worden besproken tussen aios en ieder staflid afzonderlijk. Resultaten/evaluatie: Het jaarlijks evalueren van de opleiding door aios aan de hand van productiegegevens biedt aanknopingspunten voor verbetering. De meer kwalitatieve resultaten van de PHEEM en de CTEI vullen deze resultaten per kliniek aan (op het gebied van leerklimaat en docentcompetenties) en maken objectieve vergelijkingen tussen klinieken en opleiders mogelijk. Heldere afspraken dienen te worden gemaakt over doel, vertrouwelijkheid van de gegevens, wijze en consequenties van terugkoppeling. Conclusie/implicaties voor de praktijk: Het binnen een OOR openlijk bespreken van de kwaliteit van de opleiding en het opleidingsklimaat per kliniek is mogelijk. Aios en supervisoren ervaren de evaluatie als stimulerend en waardevol en voelen zich betrokken bij de opleiding(svernieuwingen). De gezonde concurrentie tussen de klinieken binnen een OOR blijkt een duidelijke stimulans voor verbetering. De introductie van de PHEEM en zeker de CTEI dragen bij tot een objectivering van de evaluatie en maken vergelijkingen tussen klinieken en opleiders longitudinaal mogelijk. De selectiemethodiek van opleiders bij de huisartsopleiding ter discussie W.K. van der Meulen WK, P.M. Boendermaker Inleiding: Tijdens de selectieprocedure voor huisartsopleiders, die willen gaan opleiden voor de huisartsopleiding Groningen, wordt geprobeerd om de competenties die verwacht worden van kandidaat-huisartsopleiders zo goed mogelijk in kaart te brengen. Deze selectieprocedure, en de subjectieve interpretatie ervan, staat ter discussie. De huidige procedure is niet gestructureerd, is sterk afhankelijk van de personen die de selectieprocedure uitvoeren en is zeer informeel van opzet. Door het ontbreken van heldere indicatoren is het onderling vergelijken van kandidaten moeilijk en daaraan gekoppeld het toelaten/afwijzen van een kandidaat-huisartsopleider voor het opleiderschap. Om deze problemen in de toekomst te vermijden heeft de huisartsopleiding Groningen besloten om kritisch te kijken naar de selectieprocedure van huisartsopleiders. Dit leidt tot de vraag: welke selectie-instrumenten heeft de huisartsopleiding Groningen nodig om te bepalen of een kandidaat-huisartsopleider beschikt over de gewenste competenties? Vraagstelling: Om de vraag te kunnen beantwoorden, zijn de volgende deelvragen beantwoord: Over welke competenties moet een startende huisartsopleider beschikken? In hoeverre is de huidige procedure toereikend om de vereiste competenties in beeld te krijgen? Welke selectie-instrumenten kunnen worden gebruikt om het huidige selectieproces te verbeteren? Methode: Er zijn twee methoden ingezet om de vragen te beantwoorden. Informatie is verkregen door mondelinge interviews met de vier meest betrokken stafleden en deze gegevens zijn aangevuld met bestaande schriftelijke informatie uit diverse bronnen. Al deze gegevens zijn afgezet tegen de in Human Resource Management aanwezige kennis over dergelijke selectieprocedures. Uitkomsten: De schriftelijke informatie leverde een beeld op van een zorgvuldig gedocumenteerde competentiebeschrijving voor de huisartsopleider, die lastig naar de praktijk te vertalen blijkt te zijn. Door de interviews is de huidige selectieprocedure in kaart gebracht en is vastgesteld welke competenties in het bijzonder belangrijk worden geacht vanuit de huisartsopleiding Groningen. De huidige selectiemethoden, waaronder een introductiecursus van twee dagen die ook de vorm van een assessment heeft, bleken op diverse punten, zoals validiteit en betrouwbaarheid, niet te voldoen. Conclusies en beschouwing: De huidige selectieprocedure kan op diverse punten worden verbeterd. De selectiecriteria kunnen zowel voor de kandidaten als voor de toetsende stafleden duidelijker worden gemaakt. Bovendien kunnen de instructies voor de stafleden worden verbeterd. Naast aanscherping van de bestaande methoden, kan de procedure worden uitgebreid met nieuwe selectie-instrumenten. Tenslotte is een proeftijd als opleider ook een rele optie. Er is een advies uitgebracht ter verbetering van de reeds gebruikte technieken en methoden en ten aanzien van aanvullende instrumenten. Het advies wordt ondersteund door een implementatieplan. Correspondentieadres: Dr. P.M. Boendermaker, UMCG, Wenckebach Instituut, Hanzeplein 1, 9700 RB Groningen. Email: Wetenschappelijke Papers Tijdsbesteding van coassistenten en perceptie van de leeromgeving E.A. van Hell, J.B.M. Kuks, M.T. van Lohuizen, J. Cohen-Schotanus Probleemstelling: De kwaliteit van de leeromgeving is van invloed op de tevredenheid, prestaties en het succes van studenten en daarmee op het leren van coassistenten.1 Onbekend is of de feitelijke werkzaamheden van coassistenten samenhangen met hun perceptie van de leeromgeving. Hangt een grotere tijdsbesteding aan onderwijs of begeleiding bijvoorbeeld samen met een betere leeromgeving of kan beter meer tijd worden besteed aan het meelopen met de klinische staf? In deze exploratieve studie wordt onderzocht hoe coassistenten hun tijd in de kliniek besteden en of er een relatie bestaat tussen deze tijdsbesteding en de perceptie van de leeromgeving. Methode: Aan 322 vijfde- en zesdejaars coassistenten, werkzaam in zeven ziekenhuizen, Tabel Tijdregistratie werd gevraagd gedurende twee weken dagelijks te registreren hoeveel tijd zij besteden aan verschillende werkzaamheden (tabel). Daarnaast beoordeelden zij hun leeromgeving door middel van de Postgraduate Hospital Educational Environment Measure (PHEEM). De PHEEM bestaat uit 40 vragen en meet de gepercipieerde kwaliteit van de leeromgeving als n dimensie op een vijf-punts Likertschaal (1 negatief oordeel, 5 positief oordeel).2 Berekend werden de gemiddelde tijd die per dag besteed werd aan de werkzaamheden en de invloed van deze tijdsbesteding op de totaalscore op de PHEEM (multipele regressie analyse). Resultaten: Gemiddeld werkten de 142 (respons 44%) coassistenten bijna acht uur per dag. Ruim drie uur werd besteed aan het meelopen en meekijken met de klinische staf, n uur aan het zelfstandig verrichten van consulten en ongeveer een half uur per dag ging verloren (tabel). Coassistenten beoordeelden hun omgeving overwegend positief (M=147.6, SD=18.2). De tijd die besteed werd aan zelfstandig uitgevoerde consulten en meelopen/meekijken met klinische staf benvloeden de PHEEM-score positief (tabel). Conclusie: Met acht uur per dag werkt de gemiddelde coassistent binnen de grenzen van de ArbeidsTijdenWet. Dit betekent tegelijkertijd dat een deel van de studenten meer dan acht uur per dag werkt. Opvallend genoeg blijkt de tijdsbesteding aan onderwijs niet samen te hangen met een hogere gepercipieerde kwaliteit van de leeromgeving. Onbekend is of de door coassistenten gepercipieerde kwaliteit van de leeromgeving een reflectie is van daadwerkelijke leerzaamheid van deze omgeving. Onderzocht zal moeten worden wat het relatieve belang is van de (duur van de) werkzaamheden voor de (gepercipieerde) leerzaamheid van het coassistentschap. Hoe klinische opleidingsklimaten verschillen: een gecombineerde kwantitatieve en kwalitatieve studie K. Boor, E.M.E. Breejen, F. Scheele, P.W. Teunissen, C.P.M. van der Vleuten, A.J.J.A. Scherpbier Probleemstelling: In de literatuur wordt regelmatig beschreven dat er verschillen bestaan tussen stageplaatsen met betrekking tot bijvoorbeeld het leeraanbod of satisfactie van coassistenten. Over verschillen tussen klinische opleidingsklimaten, een belangrijke indicator van de kwaliteit van een opleiding, is binnen medisch-onderwijskundige literatuur nog weinig bekend. Werkplek leren literatuur geeft wel enkele aanwijzingen hoe context het leren benvloedt. In deze studie hebben we onderzocht of het klinisch opleidingsklimaat van diverse afdelingen meetbaar van elkaar verschilt en, zo ja, waarin die afdelingen van elkaar verschillen. Methode: Er is gekozen voor een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Allereerst hebben coassistenten van 11 afdelingen Verloskunde & Gynaecologie een 40-item vragenlijst over het opleidingsklimaat (de PHEEM1) ingevuld. Analyse van uitkomsten gebeurde met one-way ANOVA analyse en Post-hoc testen. Vervolgens is een kwalitatieve case-study gedaan op de twee afdelingen die kwantitatief het meest verschilden. Per afdeling zijn individuele semi-gestructureerde interviews afgenomen tot saturatie werd bereikt. De interviews zijn volledig uitgeschreven en geanalyseerd. De tekst werd eerst open gecodeerd, waarna gezocht is naar onderliggende (sub)categorien. Resultaten: Kwantitatief: 154 coassistenten vulden de PHEEM in. Er bleken significante verschillen (p<0.05) te bestaan tussen de totaalscores van enkele afdelingen (range 3.52-4.31) Kwalitatief: 7 coassistenten per afdeling zijn genterviewd. Hun antwoorden bleken te passen binnen drie hoofdcategorien. Participatie: Op de ene afdeling heerste een traditie waarin het vanzelfsprekend was dat coassistenten aan verschillende werkzaamheden deelnamen, terwijl hier op de andere afdeling nauwelijks aandacht voor bestond. Afdelingskenmerken: Er bestonden verschillen met betrekking tot onder andere hun begeleiding en in hoeverre hun status als coassistent werd herkend. Op beide afdelingen heerste volgens de coassistenten een goede sfeer. Interactie coassistent afdeling: Alle coassistenten probeerden door een pro-actieve houding het beloop van het coschap positief te benvloeden. De ene afdeling bleek hier meer ontvankelijk voor dan de andere: op de minder goed scorende afdeling bleek het moeizaam te participeren. Coassistenten met veel doorzettingsvermogen bleken uiteindelijk ook daar in staat tot enige participatie, maar moesten hier wel veel moeite voor doen. Conclusie: Het klinisch opleidingsklimaat verschilt tussen afdelingen. Verschillen zitten in participatie en afdelingskenmerken. Het verschil leidt tot ander gedrag bij de coassistenten op deze afdelingen. De gevonden resultaten worden ondersteund door bevindingen van Fuller & Unwin.2 Zij beschrijven een studie onder apprentices in Groot-Brittanni waar zij twee benaderingen van participatie herkennen: een expanded approach en een restrictive approach. Dit komt overeen met de hier beschreven bevindingen. Het herkennen van deze benaderingen kan afdelingen sturing geven in hoe zij hun opleidingsklimaat kunnen veranderen. Daarnaast draagt deze informatie bij aan een verdere conceptualisering van het begrip klinisch opleidingsklimaat. Kenmerken van reflectiestimulerende schriftelijke feedback in portfolios H. Dekker, J. Schnrock-Adema, J. CohenSchotanus Probleemstelling: Portfolios worden vaak gezien als het onderwijsmiddel om reflectie van studenten te bevorderen. Implementatie biedt echter geen garantie dat studenten daadwerkelijk leren reflecteren1. Er zijn verschillende voorwaarden voor succesvol reflectief gebruik van portfolios. En daarvan is het coachen van studenten bij het leren reflecteren. Een onderdeel van dit coachen is het geven van feedback op portfolios. Er is weinig bekend over de kwaliteit van schriftelijke feedback op portfolios en aan welke kenmerken deze feedback moet voldoen om reflectie te stimuleren. Daarom richt deze studie zich op de volgende vragen: 1.Welke schriftelijk feedbackcommentaren stimuleren reflectie van studenten? 2. Welke dimensies zijn te herkennen in schriftelijke feedbackcommentaren? Methode: Dit onderzoek is gebaseerd op schriftelijke feedbackcommentaren uit een steekproef van 90 reflectieverslagen. Deze verslagen zijn afkomstig uit eerste- en tweedejaars portfolios (studiejaar 2004/2005). Een expertpanel van 21 deelnemers aan een reflectieconferentie heeft op een 5-punts Likertschaal aangegeven in hoeverre de schriftelijke feedbackcommentaren reflectie stimuleren. Een feedbackcommentaar werd als stimulerend beoordeeld wanneer minimaal 75% van de experts het als zodanig karakteriseerde (+ en ++). Voor niet-stimulerende feedbackcommentaren gold het tegenovergestelde. Voor de tweede onderzoeksvraag hebben 23 onderwijskundigen en docenten de feedbackcommentaren in categorien gesorteerd. Op deze sorteringen is een homogeniteitsanalyse2 (HOMALS, SPSS 12) uitgevoerd om onderliggende dimensies vast te stellen. Resultaten: 43 reflectieverslagen waren voorzien van schriftelijke feedbackcommentaren. Elf feedbackcommentaren werden gekwalificeerd als reflectiestimulerend en zes als nietreflectiestimulerend. De overige 26 commentaren lieten een diffuus beeld zien. De HOMALS-analyse leidde tot drie dimensies: 1) formulering (vraag versus constatering), 2) inhoud (gericht op professionele ontwikkeling versus gericht op lay-out/structuur/hiaten en 3) toon (positief versus negatief). De combinatie van de resultaten op beide onderzoeksvragen liet zien dat de elf reflectiestimulerende feedbackcommentaren allemaal als vraag waren geformuleerd (dimensie 1) en meestal betrekking hadden op het professionele ontwikkeling van de student (dimensie 2). Daarentegen bleken de als niet-reflectiestimulerend gekwalificeerde feedbackcommentaren als constatering te zijn geformuleerd (dimensie 1) en meestal betrekking te hebben op layout/structuur/hiaten (dimensie 2). De derde dimensie (toon) differentieerde niet tussen wel/niet reflectie stimulerende commentaren. Conclusie: Geconcludeerd kan worden dat bij portfolios schriftelijke feedback te karakteriseren is op drie dimensies. Feedback in vraagvorm, en gericht op professionele ontwikkeling, lijkt reflectie het meest te stimuleren. Gezien het feit dat in de helft van de gevallen studenten sowieso geen feedback kregen en het feit dat slechts weinig feedbackcommentaren als reflectiestimulerend werden beoordeeld, kan worden gesteld dat docenten beter moeten worden getraind in het geven van reflectiestimulerende schriftelijke portfoliofeedback. De invloed van diepgaand leren en intellectualiteit op de resultaten van open en gesloten-boek toetsen M. Heijne-Penninga, J.B.M. Kuks, W.H.A. Hofman, J. Cohen-Schotanus Inleiding: Het medisch kennisdomein breidt zich in hoog tempo uit. Een manier om hier in een medisch curriculum mee om te gaan, is het toevoegen van open-boek toetsen aan het exa menprogramma.1 Toetsresultaten kunnen wor den benvloed door leerstrategie en persoonskenmerken. Volgens de literatuur zouden studenten met een diepgaande leerstrategie beter moeten presteren dan studenten met een minder diepgaande leerstrategie. Een persoonskenmerk dat de resultaten mogelijk positief benvloedt is intellectualiteit. Intellectualiteit is het blijk geven van vlugheid van begrip en graag bezig zijn met inspannende cognitieve problemen.2 In deze studie is de relatie onderzocht tussen mate van diepgaand leren, intellectualiteit en open of gesloten-boek toetsresultaten. Methode: Het onderzoek werd uitgevoerd in 2005/2006 onder tweedejaars studenten Geneeskunde (n=188) die gewend zijn aan open en gesloten-boek toetsen. Van deze groep zijn de scores op twee open en twee gesloten-boek toetsen verzameld. Diepgaand leren werd gemeten met de gevalideerde vragenlijst Diepgaande Leerstofverwerking bestaande uit de schalen: Kritisch Lezen (KL), 9 items zoals Als ik een tekst bestudeer volg ik aandachtig de argumentatie; Structuur Zoeken (SZ), 7 items zoals Als ik een tekst bestudeer besteed ik aandacht aan titels en tussenkopjes; en Context Verbreden (CV), 8 items zoals Als ik een tekst bestudeer bedenk ik zelf voorbeelden. Intellectualiteit werd gemeten met een gevalideerde vragenlijst met drie schalen: Intellectuele Apathie (INAP), 17 items zoals Als een oplossing lijkt te werken, hoef ik niet te weten hoe of waarom die precies werkt; Need for Cognition (NCOG), 10 items zoals Ik hou van situaties waarin veel nagedacht moet worden; en Cultuur (CULT), 3 items zoals Ik heb een levendige fantasie.2 In beide vragenlijsten moeten de items op een vijfpunt-Likertschaal worden beantwoord. De samenhang tussen leerstrategie, intellectualiteit en toetsscores is bepaald met een padanalyse met behulp van het programma Lisrel. Resultaten: Een hogere score voor intellectualiteit leidt tot een hogere score voor de openboek toets (padcofficint = .28, p < .05), dit geldt veel minder sterk voor de gesloten-boek toets (padcofficint = .07, p < .01) Diepgaand leren heeft geen invloed op de toetsscores (padcofficint open-boek = .02, p=.45; padcofficint gesloten-boek = -.04, p=.06). Conclusie: Intellectualiteit is een houding die verwacht mag worden van academische opgeleide studenten, open-boek toetsen lijken hierop aan te sluiten. Noch bij open-boek toetsen, noch bij gesloten-boek toetsen wordt een verband gevonden tussen diepgaand leren en resultaat. Deze uitkomst komt overeen met vergelijkbare (inter)nationale onderzoeken van recente datum. Langzamerhand rijst de vraag of diepgaand leren nog steeds het meest wenselijk is in de huidige tijd, met de huidige generatie studenten. Verder onderzoek hieromtrent is gewenst.


This is a preview of a remote PDF: https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2FBF03078231.pdf

NVMO-congres 2007, Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, 2008, 30-45, DOI: 10.1007/BF03078231