Referaten

Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, Jun 2002

Een recente innovatie in de begeleiding van afstudeerders betreft de zogenaamde afstudeerkring. Een afstudeerkring is een begeleidingsinstrument in de vorm van een groep die bestaat uit minimaal één examenbevoegde docent en alle studenten die op dat moment door deze docent worden begeleid.

A PDF file should load here. If you do not see its contents the file may be temporarily unavailable at the journal website or you do not have a PDF plug-in installed and enabled in your browser.

Alternatively, you can download the file locally and open with any standalone PDF reader:

https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2FBF03056560.pdf

Referaten

Rompa R, Romme A. Samenwerking en leer- prestaties in afstudeerkringen. Pedagogische Studiën. Tijdschrift voor Onderwijskunde en Opvoedkunde Afstudeerkringen: wel of geen meer- waarde? 0 G.W.G. Spaai 0 Amsterdam 0 0 G.W.G. Spaai , Amsterdam Referaten - Een recente innovatie in de begeleiding van afstudeerders betreft de zogenaamde afstudeerkring. Een afstudeerkring is een begeleidingsinstrument in de vorm van een groep die bestaat uit minimaal één examenbevoegde docent en alle studenten die op dat moment door deze docent worden begeleid. Studenten en docenten dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de begeleiding en beoordeling van scripties.1 Om na te gaan of afstudeerkringen leiden tot betere leerprestaties en betere samenwerking hebben Rompa en Romme afstudeerkringen vergeleken met traditionele begeleiding door individuele docenten en scriptiegroepen waarin de docent op een informele manier met meerdere scriptieschrijvers de voortgang bespreekt. Het onderzoek besloeg een drietal deelstudies: • een deelstudie waarin gegevens verzameld werden bij een groep docenten en studenten die op het moment van het onderzoek actief waren in de scriptiebegeleiding. Deze onderzoeksgroep bestond uit 74 proefpersonen; • een deelstudie waarin studenten bevraagd werden die op het moment van bevraging reeds waren afgestudeerd binnen een van de drie verschillende vormen van begeleiding. Deze onderzoeksgroep bestond uit 62 proefpersonen; • een deelstudie waarin acht docenten bevraagd werden die gewerkt hadden met de verschillende vormen van scriptiebegeleiding. De effectiviteit van de samenwerking in de drie condities werd gemeten aan de hand van een drietal indicatoren. In de eerste plaats door een vragenlijst voor te leggen aan docenten en studenten in verschillende condities, de zogenaamde Group Style Instrument. Deze vragenlijst bevat 51 items bestaande uit beschrijvingen van interactiegedragingen die groepsproductiviteit met betrekking tot intellectuele taken verhogen dan wel verlagen. Het instrument maakt onderscheid tussen productiviteitverhogende en productiviteitverlagende interactiegedragingen. Een tweede indicatie over de samenwerking is verkregen door de cijfers te verzamelen die studenten behaald hebben voor hun scriptie. Een derde indicatie betrof de doorlooptijd oftewel het aantal maanden dat de student nodig had om de scriptie af te ronden. Uit de onderzoeksgegevens bleek dat de leerprestaties (eindcijfers en doorlooptijden) niet significant van elkaar verschilden tussen de drie begeleidingscondities en dat in afstudeerkringen meer effectiviteitbevorderende EN meer effectiviteitverlagende interacties optreden. Alhoewel de auteurs concluderen dat afstudeerkringen een goed en uitdagend alternatief vormen voor andere vormen van scriptiebegeleiding, zijn de resultaten zonder meer teleurstellend bezien vanuit het licht van de literatuur over samenwerkend leren. Wellicht geldt ook hier dat niet zozeer de onderwijsvorm als wel de uitwerking van de onderwijsvorm bepalend is voor de effectiviteit ervan. 1. Romme A.G.L. & Nijhuis J. Samenwerkend leren in afstudeerkringen. Groningen: Wolters Noordhoff; 2000. Nemen en delen van beslissingen met patiënten over hun behandeling. Standpunten en ervaringen van assistenten in huisartspraktijken en ziekenhuizen Thistlethwaite JE. Making and sharing decisions about management with patients: the views and experiences of pre-registration house officers in general practice and hospital. Medical Education 2002;36:49-55. De laatste jaren wordt in de artsopleiding steeds meer aandacht besteed aan consultvoering. De aandacht richt zich hierbij vooral op het eerste deel van het gesprek, de intake en de diagnostiek. Beleid en met name management en de onderhandeling erover, komen minder aan de orde. Meer en meer is de medische wereld ervan overtuigd dat patiënten betrokken moeten worden bij de medische beslissingen die verband houden met hun eigen aandoeningen en kwalen. Dit betekent dat ideeën van de patiënt over de behandelingsopties besproken moeten worden en dat de arts moet trachten de voorkeur en wensen van de patiënt te achterhalen en te bespreken. De ‘gedeelde beslissing’ maakt integraal deel uit van een patiëntgeoriënteerd consult in tegenstelling tot het doktergeoriënteerde consult waar de dokter een diagnose formuleert en de behandeling gewoon meedeelt. In het gerapporteerde onderzoek werd nagegaan waar assistenten in hun opleiding de kans krijgen te oefenen in het bespreken van het beleid en het management en hoe ze dit ervaren. De assistenten werden bevraagd aan het eind van hun vier maanden durende assistentschap in het ziekenhuis of in de huisartspraktijk aan de hand van semi-gestructureerde interviews. De gesprekken werden opgenomen en kwalitatief geanalyseerd. Uit de onderzoeksgegevens kwamen drie belangrijke bevindingen naar voren. In de eerste plaats constateerden de assistenten een verschil in aanpak tussen consulten in het ziekenhuis en in de huisartspraktijk. Bij de huisarts blijken de mening, de ideeën en de verwachtingen van de patiënt meer besproken te worden dan in het ziekenhuis. Het patiëntgeoriënteerde model is kortom meer van toepassing in de huisartspraktijk terwijl in het ziekenhuis nog meer het doktergecentreerde model wordt toegepast. In de tweede plaats wordt een aantal factoren genoemd dat van invloed is op het kunnen oefenen met ‘gedeelde beslissingen’. Vergeleken met een ziekenhuis kan in de huisartspraktijk meer geoefend worden. Dit heeft tot gevolg dat er tussen assistenten verschillen zijn in het soort ervaringen dat ze opdoen. Observatie en feedback vinden bij dit soort gesprekken onvoldoende plaats. In de derde plaats voelen de aanstaande dokters zich veelal onvoldoende voorbereid om de patiënt te betrekken in de besluitvorming. Wel staan zij positief tegenover ‘gedeelde beslissingen’ en het model van ‘patiënt-partnerschap’. Er zijn veel lessen te leren uit dit eenvoudige onderzoek. Aanstaande dokters zijn onvoldoende voorbereid op taken die ze wel moeten uitvoeren. Op het moment dat ze de patiënten te woord moeten staan, staan ze er alleen voor en is er geen of onvoldoende supervisie, laat staan observatie met feedback. Assistenten die niet de kans krijgen in een huisartspraktijk ervaring op te doen en zich onmiddellijk gaan specialiseren in een ziekenhuissetting krijgen geen of onvoldoende kansen om het ‘patiëntpartnerschap’ te oefenen. In de toekomst zal men met deze ervaringen rekening moeten houden bij het ontwerp van het basiscurriculum, bijvoorbeeld door te werken met simulatiepatiënten en later tijdens de klinische stages met directe observatie en feedback. Simulatiepatiënten en de gezondheidszorg. Wallach PM, Elnick M, Bognar B, Kovach, Papadakis M, Zucker S. Standardized patients’ perceptions about their own health care. Teaching and Learning in Medicine 2001;13 (4):227-31. Na meer dan een decennium van onderzoek naar de validiteit en betrouwbaarheid van simulatiepatiënten (SP’s) in gezondheidszorgopleidingen ontstaat langzamerhand ook aandacht voor de SP’s zelf, zoals hun functioneren en hun belevingen. Wallach et al. onderzochten bij vijf Amerikaanse medische faculteiten in hoeverre het ‘SP-zijn’ van invloed was op meningen/gevoelens ten opzichte van de gezondheidszorg. Het onderzoek werd verricht bij 180 SP’s door middel van een schriftelijke, anonieme, uit elf items bestaande vragenlijst met een vijfpunts Likertschaal (1= heel erg mee eens, 5= heel erg mee oneens). De diverse items op de vragenlijst bestonden uit beweringen over de gezondheidszorg, bijvoorbeeld ‘ik heb een beter begrip van de reden waarom mijn hulpverlener bepaalde vragen stelt’. De respons bedroeg maar liefst 100 procent. Uit het onderzoek blijkt dat de SP’s het idee hadden dat ze: een beter begrip van een anamnese en lichamelijk onderzoek hadden (1.9 +/- 0.9); effectiever communiceerden (1.8 +/- 0.9); zich meer op hun gemak voelden bij bezoeken aan een hulpverlener en met name bij het lichamelijk onderzoek (2.2 +/- 0.9). Er was geen samenhang met de duur van het functioneren als SP. Zijn dit nu verrassende resultaten? Ja en nee. Ja, omdat wel eerder gesuggereerd is dat het functioneren als SP een gevaar inhoudt voor de echte zorgverlening. SP’s zouden ‘de boel kunnen flessen’: ze kunnen immers goed simuleren! Hoewel er strikt genomen niet naar gevraagd is in dit onderzoek, blijkt uit niets dat er een negatieve werking van uitgaat. De resultaten zijn niet verrassend, omdat je eigenlijk mag verwachten dat het kennis (lees: ervaring) opdoen als SP logischerwijs implicaties moet hebben voor de mening en attitude ten opzichte van de gezondheidszorg. Het feit dat 17% van de SP’s toch aangaf van hulpverlener veranderd te zijn vanwege hun ervaring als SP is dan ook niet meer dan logisch. Toch is het leuk dat dit soort onderzoek nu plaatsvindt; het geeft een inkijk bij de individuen die zo langzamerhand in geen enkele medische opleiding meer mogen ontbreken. Het onderzoek zal dan wel methodologisch beter in elkaar moeten steken, want daar schort het in het hier gerapporteerde onderzoek nog wel aan. Zo wordt de inhoudsvaliditeit van de vragenlijst nergens beschreven en staat de betrouwbaarheid nergens vermeld. Waarschijnlijk heeft het aantal aangeschreven SP’s en de probleemstelling van het onderzoek de doorslag gegeven bij publicatie. Dat mag best zo af en toe, maar liever af dan toe. De tutor in het Maastrichtse probleemgestuurd onderwijs Moust JHC. 25 jaar tutor in probleemgestuurd onderwijs. Enkele beschouwingen over een nieuwe onderwijsrol. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 2001;19(4):278-91. Met de invoering van het probleemgestuurd onderwijs aan de Maastrichtse Universiteit zo’n 25 jaar geleden ontstond ook een nieuwe docentrol in het Nederlandse hoger onderwijs: de rol van tutor. Hierbij vervult de docent de rol van begeleider van een groep studenten die zo zelfstandig mogelijk problemen analyseren, leerdoelen formuleren, en nieuwe informatie opzoeken om deze vervolgens in de groep te synthetiseren. In het overzichtsartikel van Moust wordt ingegaan op de taken van de tutor, het onderzoek naar de tutorrol en ontwikkelingen van de tutorrol in de toekomst. Het artikel is voornamelijk gebaseerd op Maastrichts onderzoek. Binnen de taakomschrijving van de tutor gaat steeds meer aandacht uit naar de wijze waarop een tutor het leerproces van studenten kan faciliteren (bijvoorbeeld door de student te stimuleren tot reflectie) en hoe deze de samenwerking tussen studenten kan ondersteunen (bijvoorbeeld door het entameren van afspraken over werkprocedures). Onderzoek toonde aan dat 32% van de variantie in het functioneren van de onderwijsgroep verklaard kan worden uit het functioneren van de tutor. De invloed van de tutor is daarmee geringer dan de invloed van het gebruikte casusmateriaal en de voorkennis waarover de student beschikt. De tutorrol is echter relevant genoeg om te onderzoeken. Dit is dan ook gebeurd en het onderzoek laat, kort samengevat, zien dat: • een tutor moet beschikken over een redelijke mate van vakinhoudelijke deskundigheid en daarnaast in staat moet zijn met de studenten te interacteren op een gelijkwaardig niveau; • studenten die begeleid worden door vakinhoudelijke tutoren in het algemeen iets beter scoren op de toetsen; • het functioneren van de tutor mede bepaald wordt door kenmerken van de omgeving; • wanneer tutoren slecht functioneren, ze slecht functioneren op het terrein van de inhoudelijke kennisverwerving van studenten, de samenwerking en het stimuleren tot zelfstandig leren. Voor de nabije toekomst verwacht de auteur dat de tutorrol enigszins zal veranderen, omdat onder andere een sterker accent gelegd zal moeten worden op het faciliteren van zelfstandig leergedrag, het beoordelen van professioneel gedrag van de student en het ondersteunen van denken en handelen bij ethische dilemma’s. Moust stelt dat enige voorzichtigheid op zijn plaats is bij het generaliseren van de gerapporteerde onderzoeksbevindingen omdat deze gebaseerd zijn op onderwijssituaties in de Maastrichtse faculteiten en dat meer onderzoek naar de rol van de tutor in andere opleidingen wenselijk is. Op zich terecht, het is echter jammer dat de auteur zelf niet wat meer aansluiting zoekt bij de onderzoeksbevindingen die in probleemgestuurde opleidingen elders zijn gevonden en die bijvoorbeeld antwoord zouden kunnen geven op de vraag wat inhoudsdeskundige tutoren anders doen dan niet-inhoudsdeskundige tutoren (‘ze zijn meer aan het woord en geven vaker het correcte antwoord’).1 Het zijn deze en andere bevindingen die maken dat een van de belangrijkste veranderingen in de tutorrol die de auteur schetst, het aansturen op meer zelfstandig leren door procesgerichte instructie en een sterker accent op self-assessment, wellicht relativering behoeft.2 1. Silver M , Wilkerson LA . Effects of tutors with subject expertise on the problem-based tutorial process . Acad Med 1991 ; 66 : 298 - 300 . 2. Gordon MJ . A review of the validity and accuracy of self-assessment in health professions training . Acad Med 1991 ; 66 : 762 - 9 .


This is a preview of a remote PDF: https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2FBF03056560.pdf

Bohn Stafleu van Loghum. Referaten, Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, 2002, 136, DOI: 10.1007/BF03056560