Menging maakt verschil

A+BE: Architecture and the Built Environment, May 2018

For decades, the new housing estates that were built in the Netherlands after World War II had a solid reputation as neighbourhoods of progress (Reijndorp & Van der Ven 1994). Young households were queuing up for a dwelling in these modernist urban areas, which were known for an abundance of light, air and space, though only higher-skilled and white-collar workers could afford to live there. But with growing prosperity and rising expectations for housing quality, more well-to-do households moved into new residential areas. They were replaced by low-income households who from the end of the twentieth century on were also of migrant descent. The identity and reputation of many of these early post-war areas thus changed. Often labelled problem areas, they have been characterized as concentrations of joblessness, social deprivation, ethnic minorities, conflicting lifestyles, criminality and vandalism (Klijn & Koolma 1987; Ministerie van VROM 1997; Prak & Priemus 1985). Neighbourhoods change. This is an inevitable and iterative process and it has many facets: ageing; economic, social and spatial development; and the perception of and subsequent reactions to these changes by residents as well as institutional actors like municipalities, housing associations, private landlords and other investors (Temkin & Rohe 1996). The accumulation of problems in post-war areas prompted urban renewal policies (Priemus 2004b; 2006) and intensive urban restructuring programmes throughout the Netherlands. A preliminary case study (Ouwehand & Davis 2004) revealed a positive evaluation of the interventions to improve these post-war neighbourhoods by demolition and new housing construction, often for owner-occupancy. But it also revealed a low level of neighbourhood satisfaction, which was attributed to a clash of incompatible lifestyles due to the large influx of new residents from lower-income groups, often households from one of the ethnic minority groups. According to the incumbent residents, these newcomers did not feel a personal bond with the neighbourhood and did not conform to the prevailing standards. Residents as well as other stakeholders urged further intervention. That sketch of the problem led me to formulate the following research question for this doctoral dissertation: How do residents with different ways of life perceive and assess their changed and changing neighbourhood? Three issues play a key role in this research. The first is the idea of ‘social mix’, a concept that dates back to the mid-nineteenth century (Sarkissian 1976) and has been pivotal to the debate about urban restructuring ever since Wilson published The Truly Disadvantaged (1987). It has prompted an abundance of scholarly research, though with divergent outcomes (Bond et al. 2011; Sautkina et al. 2012), and a rather polarized debate (Veldboer 2010). The second issue is that neighbourhood change occurs within the context of societal, economic and social change and is heavily influenced by urban and housing policies. Early post-war areas in the Netherlands are the product of housing policies implemented during the formation of the welfare state in the 1950s and 1960s (Van der Schaar 1987; Harloe 1995). These policies changed in the course of the following decades. Whereas the Dutch social housing system is not already residualized, sequential measures (Boelhouwer & Priemus 2014; Beuzenkamp et al. 2017) have reduced the volume of affordable social housing and increased the concentration of social housing in specific parts of the city, particularly the post-war areas (Hochstenbach & Musterd 2016; Zwiers et al. 2016). The third issue is that, since the beginning of the 1980s, neighbourhood change has been connected to the influx of new residents of migrant origin. These newcomers are often referred to as allochthones, as distinguished from autochthones, or native-Dutch residents423. In the Netherlands the debate about the integration of ethnic minorities started in the early 1990s, fuelled then by populist politicians like Fortuyn (assassinated in 2002) and nowadays by the anti-Islam politician Wilders. This debate continues to dominate the policy discourse. Discriminatory housing-allocation practices were fiercely opposed in the twentieth century. A proposal for unorthodox measures to avoid liveability problems, which were expected to arise from the predicted rapid growth in the share of allochthonous residents in parts of Rotterdam, led in 2003 to the Rotterdam Act. Under this legislation, vulnerable (a euphemism for allochthonous) newcomers could be prevented from obtaining a dwelling in specified areas of Rotterdam (Ouwehand & Doff 2013a). The main aim of the present study is to unravel the two main drivers of neighbourhood satisfaction among residents with different ways of life. The first is an autonomous process: the influx of allochthonous newcomers in the neighbourhood as a result of moving processes. The second is a policy intervention to achieve social mix by demolition and new-built housing for owner-occupancy. I have selected the district of Zuidwijk in Rotterdam, one of the cases in a preliminary study, as the location of my research. Besides all the necessary ingredients, the district also has an interesting history and was the site of previous research on neighbourhood change. Building upon that basis, in 2008 we conducted 84 interviews with 116 persons in total, spread over three neighbourhoods in the district of Zuidwijk. The first is the Velden, half of which was slated for demolition, the other half predominantly designated for the elderly and further for single-family dwellings. The second is the Kampen, featuring renovated small single-family dwellings in the social rental sector. And the third is Burgen, featuring renovated single-family social rental, new-built single-family dwellings for owner-occupiers and new-built rental housing for the elderly. All the interviews were taped and transcribed and later coded and analysed using Atlas.ti. Seeking insight in the development of Zuidwijk, we held interviews with key persons as part of the preliminary research in 2003-2004 and with key persons in the housing association Vestia prior to the fieldwork in 2008 and in later years.

Article PDF cannot be displayed. You can download it here:

https://journals.open.tudelft.nl/abe/article/download/2295/2614

Menging maakt verschil

08 2018 Menging maakt verschil Hoe bewoners buurt- en wijkverandering ervaren en waarderen ondanks en dankzij herstructurering André Ouwehand Menging maakt verschil Hoe bewoners buurt- en wijkverandering ervaren en waarderen ondanks en dankzij herstructurering André Ouwehand Technische Universiteit Delft, Faculteit Bouwkunde, OTB – Onderzoek voor de gebouwde omgeving TOC abe.tudelft.nl Design: Sirene Ontwerpers, Rotterdam Fotografie: © André Ouwehand, tenzij anders vermeld ISBN 978-94-6366-039-6 ISSN 2212-3202 © 2018 André Ouwehand TOC Voorwoord Bouwkunde en Volkshuisvesting Al in de eerste jaren van mijn studie Bouwkunde, aan wat toen nog de Technische Hogeschool Delft heette, bleek dat ontwerp niet mijn sterkste kant was. Maar architectuur, de gebouwde omgeving en daarmee samenhangende maatschappelijke processen hadden wel mijn grote belangstelling. Na projecten over de woonomgeving en sociale woningbouw, koos ik in 1972 voor de net opgezette studierichting Volkshuisvesting en een jaarproject over stadsvernieuwing. Via een stage en freelancewerk kwam ik terecht in de Rotterdamse stadsvernieuwing in Crooswijk, waarop ik ook in mei 1976 afstudeerde met een onderzoek naar de betrokkenheid van een buurtcomité bij de bouw van 37 woningen. In mijn werk als bewonersondersteuner in Rotterdam, bij het Landelijk Ombudsteam Stadsvernieuwing (LOS) en vervolgens weer in Rotterdam, kon ik mijn passie voor de volkshuisvesting en mijn maatschappelijk engagement uitstekend combineren. En dat was ook het geval bij de overstap naar de Dienst Volkshuisvesting en dienst Stedebouw en Volkshuisvesting. Naast het werk nam ik deel aan de Werkgroep 5x5 en de Stichting Van na de Oorlog. Sociaal en fysiek Volkshuisvesting, stedelijke vernieuwing en de betrokkenheid van bewoners daarbij bleven de velden waar ik ook bij het OTB op actief was, met als een van mijn eerste opdrachten de evaluatie van de eerste fase stedelijke vernieuwing in de Bijlmermeer. Samen met Gerben Helleman en Reinout Kleinhans evalueerde ik daarna de herstructureringsaanpak in vier wijken, leidend tot de publicatie Sloop en opbouw van de wijk. Herstructurering als sociale interventie (2001). Op verzoek van het Ministerie van VROM verkenden we in 2001 vanuit het OTB samen met het Verwey-Jonker Instituut de samenhang tussen fysiek en sociaal, wat uiteindelijk resulteerde in de Leidraad sociale wijkvisie die ik samen met Kees Fortuin schreef (Fortuin & Ouwehand 2003). In dezelfde periode publiceerden Hilje van der Horst, Reinout Kleinhans en ik als resultaat van onze verkenning van het sociale wijkbeeld in Holy‑Zuidoost Wij en zij. Een Vlaardingse wijk in verandering (2002). De aanpak van naoorlogse wijken, een voorstudie In 2002 nam Hugo Priemus binnen het OTB het initiatief om een groot onderzoeksprogramma op te zetten om een aanvraag te kunnen indienen voor rijkssubsidie op basis van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (Bsik). Ik schreef een onderzoeksvoorstel waarbinnen ik promotieonderzoek zou kunnen doen. We zochten en vonden medefinanciering voor een groot aantal deelprojecten bij een consortium van woningcorporaties en Aedes: het onderzoeksprogramma Corpovenista. In 2003 startten we met een aantal (voor)onderzoeken, waaronder mijn project De ontwikkeling van aangepakte wijken in de tijd. Met dit onderzoek wilde ik zicht krijgen op het duurzaam functioneren van geherstructureerde naoorlogse wijken en de effectiviteit van de aanpak tot dan toe. De term ‘duurzaam’ was breed gedefinieerd en omvatte ook sociale duurzaamheid: in samenspraak met opdrachtgevers en gebruikers. Het maakte ook deel uit van het programma Duurzame Stedelijke Vernieuwing van het NIDO (Nationaal Initiatief Duurzame Ontwikkeling). Met het onderzoek wilde ik voortbouwen op onderzoek dat in de jaren negentig geëntameerd was over de veranderingen in de aanpak van de naoorlogse wijken door de Stichting Van na de Oorlog TOC (Te Velde 1996; Kok & Van Veldhuizen 1997; Agricola, et al. 1997). Mijn voornemen was om zes wijken te onderzoeken die in de jaren negentig al herstructurering hadden ondergaan. Ik wilde die wijken vier jaar blijven volgen en daar mogelijk nog andere wijken tussentijds aan toevoegen, gekoppeld aan enkele verdiepende thematische studies. In mei 2004 presenteerde ik samen met Suzanne Davis het eindrapport met als titel: Operatie geslaagd, vervolgingreep noodzakelijk. Het meest prangende resultaat van het vooronderzoek was dat de vernieuwing van delen van de wijk weliswaar positief werd gewaardeerd door bewoners, maar de gelijktijdige instroom van allochtone bewoners in de bestaande voorraad de waardering van de wijk in zijn totaliteit negatief beïnvloedde. De waardering van buurt- en wijkverandering Na de snelle start van het onderzoek in 2003-2004, kregen in de daaropvolgende jaren andere werkzaamheden echter sterk de overhand. Het idee om het aantal wijken nog uit te breiden heb ik verlaten. Ik besloot me te concentreren op de waardering van de buurt- en wijkverandering door de verschillende groepen bewoners. In deze periode veranderde de onderzoeksgroep Stedelijke Vernieuwing en Wonen (SVW) waar ik in werkte en die ik lange tijd ook coördineerde, van samenstelling. Een verandering die ook samenhing met het sterkere accent binnen het hele OTB op meer langdurig academisch onderzoek en minder op kortetermijncontractonderzoek. Dat droeg ook bij aan een sterke accentverschuiving binnen mijn promotieonderzoek, waarbij ik mijn oude opzet achter mij liet en het vooronderzoek vooral heb gebruikt als aanleiding voor de inhoudelijke vraagstelling van het uiteindelijke promotieonderzoek en één van de wijken uit de voorstudie, Zuidwijk, als casus heb gekozen. In 2008 ben ik in feite met een nieuwe opzet van mijn promotieonderzoek begonnen, met Jan Willem Duyvendak vanaf dat moment als tweede promotor naast Peter Boelhouwer en heb in dat jaar uitgebreid veldwerk gedaan, samen met Eva Bosch (en in de eerste weken ook nog Mariska van der Sluis). We hebben bewoners breed geïnterviewd over hoe zij de buurt- en wijkverandering hebben ervaren en waarderen, waarbij zowel de effecten van de instroom van nieuwe bewoners in de wijk als van de ingrepen aan de orde kwamen. Het leverde veel materiaal op waarvan de verwerking de daaropvolgende jaren buitengewoon omvattend bleek. In de jaren tot 2012 maakte ik maar moeizaam vorderingen onder andere door veel andere werkzaamheden. Pas vanaf 2013 kon ik substantieel meer tijd aan mijn promotie wijden. Nu ligt het eindresultaat op tafel. Ik verontschuldig me op voorhand bij de lezer voor de veelomvattendheid wat betreft het aantal onderwerpen en pagina’s van het proefschrift. Ik wilde me niet beperken tot een deelfacet van de buurtverandering en recht doen aan de grote verscheidenheid aan bewoners en hun opvattingen. Ik heb drie hoofdstukken besteed aan de grotere context van de buurtverandering in Zuidwijk. Als eerste is dat een kort hoofdstuk over de ontwikkelingen in het rijk (...truncated)


This is a preview of a remote PDF: https://journals.open.tudelft.nl/abe/article/download/2295/2614
Article home page: https://doaj.org/article/befe318a0a744b64a853a1b40656d9ef

Andreas Lodewijk Ouwehand. Menging maakt verschil, A+BE: Architecture and the Built Environment, 2018, pp. 1-542, Volume 8, DOI: 10.7480/abe.2018.8